Het leven van Apollonius van Tyana

Op kritieke momenten in de ontwikkeling van de mensheid komen vaak grote wijzen als boodschappers in de wereld. Eén van hen was de neopythagoreese filosoof Apollonius van Tyana, een stad in Cappadocië (het tegenwoordige Turkije). Hij leefde van  voor 2 voor Chr. tot  78 na Chr. Zijn leven is vastgelegd door de Romeinse schrijver Philostratus. 

Hun vaak onmogelijke opdracht is de mensheid te herinneren aan diens goddelijke afkomst en aan te sporen daarnaar weer te gaan leven. Door het heilige en zuivere leven dat zij leiden, tonen zij hoe de krachten van de bovennatuur inwerken op onze wereld, en kunnen zij die voor het welzijn van de mens opnieuw ervaarbaar maken. Zo zijn zij in staat anderen en zichzelf op een voor ons ‘magische’ wijze te redden. Zij wijzen ons het pad en tonen bijzondere tekenen, want de natuur is hun bondgenoot.

Van Jezus verhaalt men dat hij in staat was over water te lopen, dat hij opstond na te zijn gekruisigd, dat hij mensen genas, en uitzonderlijke raad wist te geven. Zijn leven is een symbolische inspiratie voor allen die het oorspronkelijke leven in zich voelen vibreren. Ook Apollonius van Tyana bleek in staat wonderen te verrichten. Maar wie weet nog te vertellen wie hij was?

De tand des tijds heeft met grote gretigheid zijn geschiedenis proberen weg te vagen, en dat is voor een groot deel te wijten aan het overijverige werk van een ambitieuze geestelijke: de bisschop Eusebius van Caesarea. Apollonius was namelijk zo geliefd, dat de bisschop aan het begin van de vierde eeuw na Chr. niet anders kon doen dan hen die hem op handen droegen, te wijzen op het fabelachtige karakter van de biografie die in de tweede eeuw geschreven was. Eusebius’ neerbuigende geschriften misten hun uitwerking niet.

Er werd alles aan gedaan om het bestaan van Apollonius van Tyana uit het geheugen van de mensheid te wissen, want er kon tenslotte maar één messias zijn. Veel materiaal over Apollonius is verloren en vernietigd, met uitzondering van wat correspondentie met keizers, consuls en filosofen plus de aantekeningen en dagboeken van zijn trouwe leerling Damis die Apollonius op zijn reizen door Mesopotamië heeft ontmoet, en waarop Philostratus zijn biografie baseerde. 

zijn levensloop 

Het was Julia Domna, de leergierige en filosofische echtgenote van de Romeinse keizer Septimius Severus (keizer van 193-211), die Philostratus vroeg het omvangrijke materiaal dat zij van een ver familielid van Damis had gekregen, te redigeren en er een goed leesbaar boek van te maken. Op basis van dat materiaal heeft Flavius Philostratus, een bekende Griekse filosoof en schrijver, zo’n honderd jaar na de veronderstelde dood van Apollonius de biografie herschreven. 

Apollonius zou rond het jaar 4 voor Chr. of 2 na Chr. zijn geboren in het zuidoosten van Turkije in het kleine dorpje Tyana aan de voet van het Taurus-gebergte. De moeder van Apollonius kreeg vlak voor zijn geboorte een visioen waarin de god Proteus – een van de zonen van Poseidon – haar vertelde dat hij het was die haar zoon zou worden. Zoals met het verhaal rond de geboorte van Jezus, is ook het verhaal rond de komst van Apollonius rijkelijk met legenden versierd. Volgens de legende viel zijn moeder op een weide in slaap. Zwanen vormden een kring om haar heen en begonnen op het moment van de geboorte plotseling luid te roepen. Er kwam een bliksemstraal uit de hemel die zich daar ook weer in terugtrok.

Vogels zijn vaak een universeel symbool om de zuivere wereld – en werkzaamheid – van de geest tijdens grote tijdperken en cyclussen aan te duiden. In die zin zouden de zwanen kunnen wijzen op het begin van een nieuw tijdperk. De bliksemschicht weerspiegelt de grote kosmische kracht die de incarnatie van deze lang verwachte boodschapper begeleidt.

De geboorte van Apollonius in deze wereld is fantastisch beschreven, maar toch nauwelijks realistisch te noemen. Het heeft meer gemeen met opvallende geboorten van heilige boodschappers zoals Gautama Boeddha en van Jezus de heer. Uiteindelijk heet hij wel Apollonius van Tyana, maar niemand weet zeker waar of wanneer hij is geboren, en nog onduidelijker is, waar en wanneer hij is overleden. Het weinige wat we uit de biografie van Damis kunnen halen, is dat hij ooit Euphorbus zou hebben geheten. 

Op jonge leeftijd trad Apollonius toe tot de tempel van Aesculapius te Aegae, waar hij geneeskunde studeerde. In die dagen was de tempel eveneens een plek voor genezing, zoals tegenwoordig een ziekenhuis, met dat verschil, dat er meer aandacht werd geschonken aan de ziel dan in de huidige geneeskunde gebruikelijk is.

Na zijn studie en nadat zijn vader is overleden, reist hij door Pamphilië en Silicië en verbetert daar de levensomstandigheden van de plaatselijke bevolking. En zo gebeurde het dat Euxenus, oud-leraar van Apollonius, eens aan hem vroeg ‘waarom zo’n edele denker als hij en iemand die de beheersing had over zo’n fijn taalgebruik en -gevoel nog niet een boek had geschreven hij antwoordde: ‘Omdat ik nog niet heb geleerd te zwijgen.’ En vanaf dat moment zou hij vijf hele jaren lang zwijgen. 

Vervolgens gaat hij door naar India, op zoek naar de wijze adepten die daar leven en ontmoet hij in Ninivé, het huidige Bagdad in Irak, zijn discipel en biograaf Damis. Damis was zo onder de indruk van Apollonius dat hij zei: ‘Laat ons gaan, Apollonius, terwijl u God volgt, en ik u.’ Terwijl ze reizen leert Damis veel over filosofie en het land. Maar vooral over Apollonius en zijn eenvoudige wijze van leven. Zo werden ze terwijl ze op weg waren door Mesopotamië het kantoortje van een tolambtenaar binnengeleid en ondervraagd over zijn bagage. Wat hij zoal het land mee uit nam? 

Apollonius antwoordde: ‘Ik neem met me mee matigheid, rechtvaardigheid, deugd, zelfbeheersing, kuisheid, moed en discipline.’ En of Apollonius dat nu opzettelijk deed is niet bekend, maar op deze manier reeg hij toevallig wel een aantal vrouwelijke woorden (Justitia, Pudentia, Temperantia) aaneen. De ambtenaar rook hier belastingvoordeel en zei: ‘U moet deze vrouwelijke slaven wel opschrijven in de boeken.’ 
‘Dat is onmogelijk,’ riposteerde Apollonius, ‘want het zijn geen vrouwelijke slaven die ik met me meeneem, maar dames van klasse.’ 

De wijze van Tyana werd tijdens zijn talrijke bezoeken aan koningen meerdere malen uitgenodigd om mee te doen met het offeren aan de goden. Maar aan deze praktijken deed hij zo weinig mogelijk mee. Hij verontschuldigde zich dan en trok zich terug, zeggende:  ‘Gaat u, o koning, verder met offeren, op uw eigen wijze, maar sta mij toe te offeren op mijn eigen manier.’ En hij nam een handvol wierook en zei: ‘O Zon, zend mij zo ver over de aarde als het mij en u goeddunkt. Dat ik goede mensen mag ontmoeten, maar nooit iets hoor van slechte, noch zij van mij.’ En na deze woorden gezegd te hebben gooide hij de wierook in het vuur en verliet de koning, want hij wilde niet aanwezig zijn bij het bloedvergieten. 

Fascinerend zijn zijn ontmoetingen met de wijzen van India. De adepten daar trainen en onderwijzen Apollonius voor zijn grote missie: Het leiden en zo mogelijk stoppen van het snel degenererende Romeinse Rijk, waar enkele wrede keizers en hun dienaren zich meedogenloos stortten in rituelen en zwarte magie. Er was maar een man geschikt bevonden voor deze opdracht, en dat was Apollonius. 

De overlevering leert dat twee keizers hem van verraad beschuldigden: zowel Nero (keizer van 54-68) als Domitianus (keizer van 81-96). De wijze ontkomt evenwel op miraculeuze wijze aan een veroordeling. Uiteindelijk stichtte hij een school in Ephese, waar hij bleef tot zijn dood, op bijna honderdjarige leeftijd. Philostratus versterkt het mysterie rond het leven van zijn held door te zeggen: ‘Wat betreft zijn dood, als hij al gestorven is, variëren de getuigenissen’. 

een brief van Apollonius 

Behalve de verslagen van Damis bezat Philostratus ook enkele korte brieven van Apollonius. Ook deze getuigen van de grote wijsheid van de adept van Tyana. Eén van deze was gericht aan Valerius Asiaticus, consul in het jaar 70. Het is een filosofische getinte brief om de lezer te troosten en het verlies van zijn zoon enigszins dragelijk maken. 

’Er is geen dood van wie dan ook, maar alleen schijnbaar, net zomin als er een geboorte van wie dan ook is, behalve in uiterlijke verschijningsvormen. De verandering van Zijn naar Worden schijnt de dood te zijn, maar in werkelijkheid wordt niemand geboren, noch sterft hij. Hij is simpelweg zichtbaar en dan weer onzichtbaar; de eerste door de dichtheid van de stof, en laatstgenoemde door de fijnstoffelijke toestand van het Zijn – wiens toestand altijd hetzelfde is, de enige veranderingen zijn beweging en rust. Want het zijn heeft deze noodzakelijke bijzonderheid, dat de verandering wordt bewerkstelligd door niets buiten zichzelf; maar het geheel wordt gedeeld en de delen worden weer een geheel in de eenheid van Alles.

En als er wordt gevraagd: wat is dit dat soms wel wordt gezien en soms niet, nu hetzelfde is en dan weer anders? – kan worden geantwoord: Het gaat zoals met alles hier in de wereld beneden dat als het is gevuld met stof het zichtbaar wordt, tengevolge van de weerstand van zijn dichtheid, maar het is onzichtbaar, tengevolge van zijn zeer ijle fijnstoffelijkheid, als de stof eromheen is verdwenen, maar de stof omgeeft het nog wel en stroomt erdoorheen in die onwaarschijnlijk grote ruimte die het bevat maar geen geboorte kent, noch dood. 

Maar waarom is deze verkeerde voorstelling (van geboren worden en sterven) zo lang niet weerlegd gebleven? Sommigen denken dat wat door hen gebeurt ze zelf hebben gedaan. Ze zijn onwetend dat het individu tot geboorte wordt gebracht door ouders, niet met behulp van ouders, net zoals een ding wordt geproduceerd door de aarde en niet met behulp van de aarde. De verandering die het individu overkomt wordt niet veroorzaakt door zijn zichtbare omgeving, maar slechts door het ene ding dat in ieder individu leeft.’

Bron: Tijdschrift Pentagram 2011 nummer 3

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *