Het universele lichtprincipe – bijdage van Rachel Ritman over het Ware voor symposionbundel over de trias van Plato

De fysicus David Bohm (1917 – 1992) heeft een mooie definitie van de ‘waarheid’ als een volstrekt begrip. Hij ging ervan uit dat wat we zien als ‘realiteit’ in feite een relatieve waarheid is, omdat er immers altijd meer is dat we niet weten dan wat we wel weten. De totaliteit van het universum is volgens hem te veel om te worden gevat in welke kennis dan ook. Die ‘totaliteit’ duidt hij daarom aan met het begrip ‘waarheid’, dus als iets dat zich voorbij de kenbare ‘realiteit’ bevindt en dat alles betreft dat is. De essentie van ‘waarheid’ kunnen wij, omdat we beperkte wezens zijn, met ons denken niet bevatten. 

Naast het vermogen van het denken erkent David Bohm echter ook het bestaan van zuiver bewustzijn voorbij gedachten. Dit beschouwt hij als de bron van alle ware inzichten, intelligentie en creativiteit. Deze logica is ook van toepassing op begrippen als ‘liefde’, ‘wijsheid’ en ‘vrijheid’. Al deze begrippen verwijzen naar die ene allesomvattende waarheid, die zich aan ons waarnemingsvermogen onttrekt, en toch het fundament is van onze ‘realiteit’. 

De vraag is: hoe komen wij tot dat overstijgende bewustzijn waardoor alle puzzelstukjes tot één herkenbaar beeld samenvallen? We kunnen daar- toe teruggrijpen op een uitspraak die o.a. wordt toegeschreven aan Franciscus van Assisi: Weet u dan niet, dat datgene in u dat zoekt, juist datgene is wat u zoekt. Dit is een diepzinnige uitspraak, maar zoals dat met dergelijke uitspraken gaat, het wordt pas wezenlijk interessant als je ze ziet als een deur, die je zelf open moet doen om te zien wat er achter verborgen gaat. En dat is pas mogelijk als je ze als een mogelijk nieuw uitgangspunt ziet, waar je praktisch en heel reëel invulling aan gaat geven. 

Het heliocentrische systeem van Copernicus 

Copernicus schrijft dat hij bij zijn onderzoek naar het heliocentrisch systeem, geïnspireerd werd door een hermetische tekst die zegt dat de zon de zichtbare God is. Vanuit de renaissancegedachte dat de goddelijke wetmatigheid zich kenbaar maakt in de opbouw van de kosmos en de natuur, trekt Copernicus de conclusie dat onze zichtbare zon niet anders kan zijn dan het middelpunt, waar omheen zich de overige hemellichamen bewegen. In dit boek legt hij zijn bevindingen vast, die van grote invloed op het westerse denken zullen blijken te zijn. 

Giordano Bruno 

Giordano Bruno, zelf ook geïnspireerd door Hermes, is een van de eersten die dit nieuwe inzicht in de astronomie vertaalt naar een meer omvattend beeld. In zijn boek Het oneindige universum en de werelden zegt hij dat de opbouw van ons zonnestelsel slechts één voorbeeld is van een wetmatigheid die geldt voor het gehele universum. Dat er ontelbare zonnestelsels wentelen in de oneindige ruimte. Hij ontwikkelt daarbij verschillende thesen, waarvan sommige pas eind vorige eeuw wetenschappelijk konden worden bewezen. 

Tegenover dit beeld plaatste hij de klassieke idee dat de mens een microkosmos is, waarvan wij de realiteit weliswaar ervaren als geocentrisch, maar waarvan het werkelijke centrum wordt gevormd door een innerlijke zon. Deze en dergelijke inzichten brachten hem in conflict met de kerk, wat nogal merkwaardig is, want zei Jezus de Christus niet zelf dat het Koninkrijk Gods binnen in u is, nader dan handen en voeten? 

Bruno werd echter zwaar onder druk gezet, zoals bijvoorbeeld ook zijn landgenoot Galileo Galilei. Hij stak zijn mening daarover bepaald niet onder stoelen en banken. Bij zijn aankomst in Venetië werd hij dan ook gevangen genomen en berecht. Toen hij zijn bevindingen niet wilde herroepen werd deze ‘vrije denker’, zoals zovelen vóór en ná hem, om zijn denkbeelden ter dood gebracht op een brandstapel die was opgericht op de Piazza Fiori, het Bloemenplein in dezelfde stad. Het zaad van zijn denken, zoals van zovelen vóór en ná hem, was echter gestrooid en vond in vele harten vruchtbare grond. 

Bij vele denkers en filosofen, waarvan wij nu zeggen dat zij aan de vooravond stonden van de verlichting, vinden wij de sporen van dit nieuwe wereldbeeld. Aangezien echter de mensheid nog steeds niet erg verlicht is, mogen wij vaststellen dat de doorwerking ervan individueel en incidenteel was, maar dat het niet werkelijk algemeen werd opgepakt, als uitgangspunt werd genomen voor de eigen ervaringsweg, zodat de samenleving nog volledig geocentrisch, en dus egocentrisch georiënteerd kan worden genoemd. 

Laten wij ons niet laten misleiden door de tegenwoordig graag gebezigde woorden ‘wij’ en ‘ons’. Dit is slechts het meervoud van de woorden ‘ik’ en ‘wij’. De realiteit leert dat de mensheid nu voor de consequenties van dit gedrag wordt geplaatst. De oude kaders werken niet meer en wij zullen individueel die kaders moeten doorbreken, de eventuele gevormde comfortbubbels verlaten, en actief naar het grotere verband op zoek moeten gaan. 

Böhmes gekleurde kosmische voorstelling 

Hierboven zien wij een voorstelling die ontleend is aan de denkwereld van Jacob Böhme, de goddelijke zon die de kosmische ruimte doorstraalt. Böhme, de Duitse ziener-filosoof, was degene die het nieuwe wereldbeeld uitwerkte, zowel kosmisch als microkosmisch. Op een moment van innerlijk aanschouwen, had hij een waarneming van de kosmologische planmatigheid in alle verschijnselen, en de bestemming ervan. In de Genesis van den beginne, het scheppingsverhaal uit de Bijbel, vond hij de bevestiging en de argumentatie hiervoor, en in het Nieuwe Testament de vervulling. 

In een symbolische voorstelling die hij zelf heeft ontworpen ligt zijn hele wereldvisie besloten, in alle details toegelicht in zijn boek De veertig vragen van de ziel. Böhme noemt het de Filosofische Kogel, of ‘het Wonderoog der Eeuwigheid, zijnde de Spiegel der Wijsheid’. Dit is te herleiden tot het boek Spreuken, toegeschreven aan Salomo, te vinden in het Oude Testament, en tot het apocriefe geschrift Het Boek der Wijsheid. Daarin wordt gezegd (beluister of lees lofzang 6: Ode aan de wijsheid): 

Want zij [de Wijsheid]
is een ademtocht van Gods macht
en een zuivere uitstraling
van de heerlijkheid van de Almachtige. (…)

Zij is de weerglans van het eeuwige Licht,
een vlekkeloze spiegel van Gods werkzaamheid
en een beeld van Zijn goedheid. 

Böhmes Wonderoog van de eeuwige Wijsheid 

Binnen dit oog der eeuwigheid ziet God als het ware hoe zijn scheppende werkzaamheid gestalte neemt in zijn schepping. Hij ziet en ervaart dat vanuit twee gezichtspunten. Namelijk als Planmatigheid die gevoed wordt door zijn eigen zelfbewuste Zijn, die van Hem uitstroomt als zuiver Licht, en vanuit de oorspronkelijk nog ongevormde Chaos waarin dit Plan gestalte moet nemen, en die kan worden omschreven als een aanvankelijke duisternis. Door de wisselwerking tussen deze ‘twee principes’ komt onophoudelijk de schepping tot stand. We zouden kunnen zeggen dat deze twee principes zich onderscheiden in een heliocentrische en een geocentrische werkzaamheid. In de mens zijn beide principes vertegenwoordigd. Böhme noemt ze wel de uiterlijke en de innerlijke mens. De eerste wordt gekenmerkt door wat hij noemt de ‘eigenwil’, de tweede door het meebewegen op de goddelijke Wil. Hij vergelijkt deze beide daarom ook met twee ogen die elkaar niet kunnen zien.

Het rechter en het linker, wat in de 17e eeuwse tekst geschreven staat als ‘slincker’! In tegenstelling tot de mystiek, die er van uitgaat dat het slinkse oog gesloten moet zijn om met het innerlijke oog te kunnen zien, zegt Böhme dat het linkeroog zich met klaar bewustzijn moet richten op de uiteindelijke bestemming van de mens, die alleen gevonden kan worden door het volgen van Gods Wil. Dan treedt hij, om met David Bohm te spreken, vanuit de begrenzing waaraan het denkvermogen onderworpen is, in de lichtwereld die geheel in overeenstemming is met wat hij ‘waarheid’ noemt.

Daarvoor moet hij echter wel de grens passeren die aan het denken is gesteld. Dit wordt in de afbeelding weergegeven door het kruis, wat een sterven inhoudt van de oude mens, om dan vanuit het zonneprincipe in het hart, de universele Christus, wedergeboren te worden tot een nieuwe wezenheid, en wel naar geest, ziel en lichaam. Zo kan de tweeheid die voorwaardelijk is voor het scheppingsproces, in het menselijk bewustzijn worden verzoend en zich verbinden met de Eenheid, die het kenmerk is van het Wezen Gods. Dat is met recht ‘verlichting’. 

Gichtel 

Gichtel leefde in Amsterdam en was een volgeling van Böhme. Samen met enige anderen verzorgde hij de Duitse uitgave van Böhmes werken. Zelf schreef hij een boek, De Theosophia Practica, waarin hij de kernpunten van Böhmes visie, zoals hij die zag, heeft samengevat. Daarin bevinden zich prachtige afbeeldingen die het wedergeboorteproces illustreren. 

Op de uitsnede van één van deze gravures zien we een mens die nog in alle opzichten leeft vanuit een egocentrisch, verduisterd bewustzijn. Opvallend is dat deze wedergeboorte niet alleen maar wordt gezien als betrekking hebbend op de ‘ziel’ als een abstract begrip. Het gaat gepaard met een lichamelijk proces, waarbij de oude lichamelijkheid met haar organen, die aanvanlijk bepaald wordt door de planetaire krachten, en die gebonden is aan de vier elementen, geleidelijk wordt doorstroomd door nieuwe krachtstromen uit de lichtwereld. 

We zien dat het hart wordt weergegeven als een stralend zonneprincipe. Een principe dat er altijd is, in ieder mens. Om te laten zien dat dit principe uitdrukking geeft aan de goddelijke Liefde en Barmhartigheid, vertoont de zon, heel subtiel, een buitengewoon liefelijk gezichtje. Helaas wordt echter deze zonnekern gevangen gehouden in de dodelijke omklemming van een slang, die de eigenliefde wordt genoemd. 

Gichtel met een beklad gezichtje

Nu zijn er altijd volgelingen van volgelingen die menen te weten dat dit gezichtje een duidelijke fout is in de voorstelling. Er staat immers bij dat het hart beheerst wordt door de eigenliefde, en die kán er gewoon niet zo liefelijk uitzien. Daarom heeft iemand het gezichtje op een grove manier ‘gecorrigeerd’, zodat het er inderdaad boos en fronsend uitziet. De hemel beware ons voor de volgelingen van volgelingen, die vaak al snel kans zien om de oorspronkelijke, bevrijdende boodschap te verminken en er hun eigen uitleg aan geven. Zo blijft de mensheid gevangen in de eigen beperkte begripswereld. 

Zo kan bijvoorbeeld Spinoza door ‘deskundigen’, weggezet worden als een atheïst. Spinoza, die zegt, dat wij de wereld der verschijnselen niet kunnen leren begrijpen als wij uitgaan van de verschijnselen, maar dat daar allereerst een nieuw godsbegrip voor nodig is. Aan dat nieuwe godsbegrip is bijna het gehele eerste deel van de Ethica gewijd. Van hieruit toont hij een bepaalde werkzame logica die in al het bestaande doorwerkt. En hij laat zien dat er in de mens een werkzaamheid is die aan het goddelijke gelijk is, dat zich doet kennen als intuïtie. Middels deze intuïtie, en een verstand dat bevrijd wordt van vooroordelen en valse beeldvorming, komt een mens dan uiteindelijk in relatie met de goddelijke werkelijkheid in een toekering die door hem wordt omschreven als ‘redelijke liefde’. 

Er wordt wel gezegd dat religie een van de hoofdoorzaken is van oorlogen en geweld. De vrije geesten echter die aan de oorsprong staan van nagenoeg alle grote religieuze stromingen, gingen uit van de eenheid van alle leven. Strikt genomen zijn het ook niet de stichters van een religieuze stroming. Zij richten zich tot de individuele mens. Het zijn altijd de hen navolgende aanhangers die onder de valse vlag van religie en ideologie elkaar naar het leven staan. Iets aanhangen kan trouwens maar al te gemakkelijk de vorm aannemen van ergens aan ‘hangen’. 

Gichtel (met hart, hoofd en hand in het licht)

Deze afbeelding toont een volgende fase van het proces. Er staat een tekst bij in het Duits. Vertaald staat er: ‘De wedergeboren mens, staande in de wedergeboorte in Christus waardoor de oude slang vermalen wordt’. Let wel, er staat niet: ‘Als men de slang verbrijzelt, gaat de innerlijke zon stralen’!

Toch is dit wat ontelbaren gedacht hebben, en nog steeds denken. Strijdt tegen de ‘eigenliefde’, dan wordt je beloond met ‘verlichting’. Maar Böhme en Gichtel, en zovelen vóór en ná hen benaderen het anders. Word je bewust van de innerlijke ‘andere’ en zoals de kracht van het zonnelicht de sterren doet verbleken, zo verdrijft ‘de Liefde’ de eigenliefde. Vergelijk dat met de visie van Spinoza; vanuit een nieuw godsbegrip ontstaat er inzicht in alle verschijnselen. Dat is ‘verlichting’, dat is wat ‘gnosis’ betekent; individuele godservaring. Van hieruit kan een nieuwe visie ontstaan en daardoor een nieuw handelen. Hart, hoofd en handen. Comenius doelt op het zelfde, wanneer hij stelt dat iedere mens, zonder enige uitzondering de drie volgende mogelijkheden zijn ingeschapen:
de maatstaven voor wat de mens weten moet,
de prikkels voor wat hij verlangen moet,
en de instrumenten of vermogens
voor wat hij doen moet.

De vraag is evenwel, ‘wordt iemands inzicht door een uiterlijk – of een innerlijk licht bezield? 

Het hoofd als zetel van het bewustzijn 

Volgens Robert Fludd beschikt de menselijke ziel in het hoofd over drie waarnemingscentra die het niveau, de aard en de kwaliteit van het bewustzijn uitmaken. Het basisvermogen wordt gevormd door de wisselwerking met de eigen levensrealiteit middels de zintuigen, de zinnelijke ‘wereld’. Omdat de omstandigheden voor iedereen anders zijn, is de beleving daarvan voor iedereen anders, dus subjectief. De opgenomen informatie, denk weer aan het kind, wordt verstandelijk verwerkt. Dit waarnemingsvermogen heeft volgens Fludd haar zetel in het voorhoofd en is van grote invloed op ieders persoonlijke voorstellingswereld, die dus ook subjectief is, gekleurd en beperkt.

Robert Fludd stelt dat de mystici er altijd naar gestreefd hebben, de zintuigen zodanig af te sluiten voor uiterlijk invloeden, dat zij ten slotte ‘de andere’ of ‘de ‘geliefde’ in de rust en stilte van hun hart te kunnen ontmoeten. Fludd zegt echter dat het nog veel moeilijker, maar ook noodzakelijk is, de eigen voorstellingswereld te doorbreken, zoals ook de mystici hebben ervaren. De zintuigen en de persoonlijke voorstellingswereld staan in wisselwerking met elkaar.

De voorstellingswereld bepaalt en kleurt in sterke mate wát, en hoeveel, de mens in de zintuigelijke wereld meent waar te nemen en te ervaren. Beide werelden zijn overigens primair geocentrisch, dus egocentrisch georiënteerd. De samengevoegde informatie wordt verwerkt door het verstandelijke vermogen, de ratio, dat op zijn beurt ook de andere vermogens weer beïnvloedt. De ratio wordt door Fludd zeker niet als het hoogste vermogen van de mens beschouwd, maar als een tweede waarnemingscentrum, waarvan de zetel de centrale plaatst inneemt ter hoogte van de pijnappelklier.

De ratio ziet hij niet als het hoogst bereikbare voor de mens, en ook niet zonder meer als bepalend en leidend, omdat het zelf weer bepaald wordt door de zintuiglijke beperkingen, en de beïnvloeding van de eigen voorstellingswereld en die van anderen. Op basis van zijn ervaringen leert hij zijn beperkingen in te zien, er de confrontatie mee aan te gaan en gaat op zoek naar nieuwe referentiekaders.

Er ontstaat een vraagstelling, het verleggen van aandacht. Zonder het zich misschien bewust te zijn, reageert men op de lichtkern in het hart, het zaad van de universele wijsheid. Het is de prikkel van wat hij verlangen moet. Het wordt ook wel het beginsel der vrijheid genoemd. Men heeft van tijd tot tijd het gevoel te stuiten op iets van blijvende waarde. De horizon verbreedt zich. Men krijgt het gevoel verbonden te zijn met een groter geheel. Men neemt wat meer afstand van de eigen vastgeroeste denkbeelden en bevolkt de beeldengalerij van de eigen voorstellingswereld met nieuwe beelden, nieuwe voorbeelden. Dit kunnen glimpen zijn van universele waarden die van binnenuit worden herkend. Dat kan hem plaatsen in een breder perspectief, maar soms rekken zij de eigen actieradius alleen maar wat op om ruimte te bieden aan beelden die de eigen benadering versterken.

Comenius onderkent in De weg van het licht drie niveaus van verlicht zijn, als een drievoudige trap van ontplooiing. Het eerste noemt hij het directe licht. Dit houdt verband met de zintuiglijk waarneembare en verstandelijk te doorvorsen werkelijkheid.

Direct licht is altijd eenzijdig, omdat het eigen actuele gezichtspunt de invalshoek bepaalt. Dan is er altijd een schaduwzijde die scheiding maakt tussen het eigene en al het andere. Men kan daardoor leren te ‘onderscheiden’. Dit is altijd ‘tot op zekere hoogte’. Dát is de ratio. Het tweede niveau is dat van het weerspiegelende of indirecte licht, waarbij meer naar het grote geheel wordt gekeken, waar ook andere gezichtspunten en invalshoeken meetellen. De vruchten van allerlei wijsheids-stromingen kunnen helpen om de eigen weg te vinden. Daardoor wordt het eigen waarnemingsvermogen minder eenzijdig en er wordt ook nieuw licht geworpen op zaken die eerder duister waren. Men wordt zich van binnen uit bewust van de maatstaven voor wat de mens weten moet.

Robert Fludd spreekt hier van het tweede niveau van verstandelijke waarneming, het intellect, ofwel ‘bewustzijn’, dat mede sturend kan worden voor de ratio, en de reikwijdte van de zintuigen verscherpt. In zekere zin kan hier worden gesproken van de ziel, maar dan rijst de vraag: ‘Waardoor worden wij bezield?’ Is dat door het geocentrische principe, of ook door het lichtprincipe. Hier wijst Fludd op een derde kenvermogen van de mens, ‘Mens’, wat Latijn is voor ‘geest’. En hij zegt hierover iets heel bijzonders.

Ten eerste houdt volgens hem de goddelijke wereld middels dit kenvermogen bemoeienis met de mens, of hij zich daarvan bewust is of niet. Het betekent ook dat de mens, als er een ontvankelijkheid is van de ‘ziel’, vanuit de universele wijsheid kan worden geïnspireerd, waardoor ‘de hoge rede’ als een nieuw vermogen zich in hem kan gaan uitdrukken. Zo kan de mens zichzelf, in wat Spinoza de ‘redelijke liefde’ noemt, rechtstreeks toekeren tot die goddelijke wereld. Comenius omschrijft dit niveau als het innerlijke licht, dat evenals de zon zelf in het geheel geen schaduw kent, maar waarin elke vorm van dualiteit wordt opgeheven. Jacob Böhme spreekt hier van De allervoortreffelijkste poort der Godsaanschouwing, die betreden wordt door de wedergeboorte in Christus, het universele Lichtprincipe. Als op deze wijze geest, ziel en lichaam weer in volledige samenhang werkzaam kunnen zijn, beschikt de mens over de instrumenten of vermogens voor wat hij doen moet. 

Bron: Het Schone, het Goede, het Ware – drie symposia over de trias van Plato, symposionreeks 42

BESTEL HET SCHONE, HET GOEDE, HET WARE

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *