Tag archieven: geheime boek van Johannes

Het geheime boek van Johannes (Apocryphon) over de terugkeer naar de oorsprong: woord vooraf en tekstgedeelte

BESTEL OVER TERUGKEER NAAR DE OORSPRONG

Van het Apocryphon van Johannes is een versie aangetroffen in de Codex van Berlijn (Berolinensis Gnosticus 8502). Ook bij de vondsten van Nag Hammadi (1945) bevond zich het Apocryphon van Johannes en wel in een korte en een langere versie. Van de tekst zijn verscheidene bewerkingen en vertalingen verschenen. Onze vertaling is gebaseerd op de korte versie, zoals vervat in de Codex van Berlijn, die in 1896 in Egypte ontdekt werd (gepubliceerd door W. Till, Die gnostische Schriften des koptischen Papyrus Berolinensis 8502. Berlin, 1953). Hierbij hebben wij ook de Nederlandse vertaling geraadpleegd van Prof. R. van den Broek, in diens werk De taal van de Gnosis. Gnostische teksten uit Nag Hammadi. Ambo BV., Baarn, 1986. Hiervoor betuigen wij gaarne onze dank.

De langere versie onderscheidt zich van de korte voornamelijk door vele bladzijden met namen van engelen, waarbij alle engelen in samenhang met een bepaald lichaamsdeel worden genoemd. Voorts bevat de langere versie aan het slot een hymne aan de Pronoia, de Voorzienigheid. Deze hymne, die prachtig van inhoud en toon is, hebben wij om die reden afzonderlijk opgenomen. Wij hebben daarbij de bewerking gevolgd van Konrad Dietzfelbinger in diens Schupfungsberichte aus Nag Hammadi, Andechs. Ook de uitvoerige en zeer verhelderende inleiding mochten wij aan dat werk ontlenen, waarvoor wij bijzonder erkentelijk zijn.

Moge de lezer ook in deze uitgave getroffen worden door ‘de kracht van het Woord dat van de Vader tot de mensen uitgaat’.

Rozekruis Pers

Het begin van de Inleiding bij Het Apocryphon van Johannes door Konrad Dietzfelbinger

Het ‘Geheime Boek van Johannes’ schetst het conflict tussen eigenzinnigheid en onwetendheid, zowel in de kosmos als in de ziel van de mens — en het verlangen van de ziel om die eigenzinnigheid en haar gevolgen van zich af te schudden, en in een volkomen overgave en door een geheel nieuw weten weer één te worden met haar oorsprong, de onzichtbare Geest.

Reeds in het begin geeft de tekst een beeld van dit conflict. Johannes, die zoekende ziel, is op weg naar de ’tempel’, het oord van de traditionele, verstarde religie —verstard in dogmatiek, onwetend omtrent haar oorsprong en eigenzinnig in de uitvoering van de rituelen. Op die weg komt hem een Farizeeër tegemoet, aanhanger van die religie. In deze figuur is hier het principe van eigenzinnigheid en onwetendheid gepersonifieerd, en als zodanig valt hij de naar haar levende oorsprong zoekende ziel aan, ponerend dat zij zich heeft laten misleiden door haar drang tot het leven en de waarheid — door Jezus in haar aangewakkerd — waardoor zij afvallig is geworden van de traditie der vaderen. Zo proberen eigenzinnigheid en onwetendheid zich te handhaven, in een verblinde welmenendheid trachtend iedere levende, eerstehands gewaarwording van de oorsprong in de kiem te smoren, door te wijzen op de beproefde tradities en geschriften.

Maar de zoekende ziel, Johannes, laat zich niet van de wijs brengen. Zij is alleen bedroefd, omdat haar gewaarwording van de oorsprong nog zo onduidelijk en zwak is. Zij onttrekt zich aan alle verwijten, om in een oord van stilte klaarheid te verkrijgen. En daar valt haar de ‘verborgen leer’ ten deel, verborgen voor allen die nog in eigenzinnigheid en onwetendheid verstrikt zijn. 

Vooroordelen en de mening dat men in tradities en dogma’s een betrouwbare kennis bezit, sluiten het ervaren van de ware kennis bij voorbaat uit. Die kennis is slechts bestemd voor het geslacht dat ‘niet wankelt’: voor zielen die vastberaden op hun oorsprong gericht zijn, die zich niet laten afleiden door dreigementen en beloften van autoriteiten, die echter ook niet terugdeinzen voor de waarheid van de Geest en haar kracht, en sterk genoeg zijn om haar te ontvangen, omdat zij aan die Geest zelf deel hebben.

De verborgen leer komt tot zulke zielen in de gedaante van Jezus, maar vreemd genoeg heeft die gedaante een aard als van Proteus: nu eens een kind, dan weer een dienaar of een grijsaard. Is er hier dan sprake van een geestverschijning die aan de ziel, die zich in een soort van trance bevindt, boodschappen uit bovenzinnelijke werelden overbrengt? 

Nee, de ziel ervaart de waarheden van de Geest bewust, omdat de Geest der Waarheid, Jezus, weer werkzaam in haar geworden is. Zij is in het oord van de stilte vrij geworden van alle indrukken van de vergankelijke wereld en daardoor ontvankelijk voor inzichten en ervaringen die in haar vanuit haar eigen oorsprong, vanuit het rijk van de Geest, levend worden.

De gehele volgende tekst is een ontvouwen van die ervaringen. En ofschoon de Geest, de waarheid, onveranderlijk is en eeuwig dezelfde, manifesteert zij zich toch in steeds wisselende openbaringen. Want de Geest is tegelijkertijd rust en beweging, zijn en wording — de rust van de oorsprong waaruit alles voortvloeit en de beweging van de verschijnende dingen, die zich ontwikkelen volgens de wetten van de Geest. Die Geest is kind: altijd nieuw en jeugdig fris; grijsaard: alle ervaringen zijn erin vergaard; en dienaar: de liefde die voortdurend ontvouwt, bouwt en het verlorene redt.

Aangezien Johannes zich nu in bewuste eenheid met de waarheid bevindt, wordt hem stap voor stap de waarheid omtrent de herkomst van mens en wereld onthuld, evenals de huidige staat van beide en hun toekomst.

Het begin van de tekst van ‘Het Apocryphon van Johannes’

Het geschiedde op een van deze dagen, toen ik — Johannes — broeder van Jacobus (dit zijn de zonen van Zebedeus) naar de tempel ging, dat een Farizeeër, genaamd Arimanias, op mij toetrad en tot mij sprak: ‘Waar is uw meester, in wiens gevolg gij waart?’

Johannes zei tot hem: ‘Vanwaar hij gekomen is, aldaar is hij weer heengegaan.’

Toen sprak de Farizeeër tot mij: ‘Door bedrog heeft hij u misleid, deze Nazarener. Hij heeft uw hart toegesloten en u van de leer van uw vaderen afgetrokken.’

Toen ik dát hoorde, wendde ik mij van het heiligdom af en begaf mij naar een eenzame plaats, op de berg. Met grote droefheid in mijn hart dacht ik: ‘Hoe werd de Verlosser dan verkozen? Waarom werd hij dan in de wereld gezonden door zijn Vader? En wie is zijn Vader? En van welke aard is dan de eoon waarheen wij moeten gaan? Hij heeft ons wel gezegd dat deze eoon de gestalte van de onvergankelijke Eoon heeft aangenomen, maar hij heeft ons er niet over ingelicht van welke aard deze zou zijn.’

Terstond toen ik dit dacht, openden zich de hemelen, de ganse schepping straalde in een onaards licht en de gehele wereld sidderde. Ik vreesde zeer en wierp mij neder. En zie, in het licht verscheen mij een kind. Terwijl ik het aankeek, veranderde het in een grijsaard en vervolgens in een dienaar. 

Er was een eenheid met verschillende gestalten in het licht. Ik keek ernaar, maar ik begreep dit wonder niet. Als het een eenheid is in het licht, waarom vertoont zij zich dan in drie gestalten door elkaar heen? Of, als het één gestalte is, hoe kan deze dan drie verschijningsvormen hebben?

Hij sprak tot mij: ‘Johannes, waarom zijt gij in twijfel als ik tot u kom? Want dat is u toch niet vreemd? Wees niet kleinmoedig, want ik ben het, die te allen tijde bij u is. Ik ben de Vader, ik ben de Moeder, ik ben de Zoon, ik ben de eeuwig Zijnde, de Onvermengbare, aangezien er niemand bestaat die zich met mij kan vermengen. Ik ben nu gekomen om u te openbaren wat is, wat geschied is en wat geschieden zal, opdat gij zowel het zichtbare als het onzichtbare zoudt onderkennen, alsmede om u te onderrichten over de volmaakte Mens. Hef nu uw aangezicht op, kom, hoor en versta wat ik u heden zeggen zal, opdat gij het op uw beurt weer zult gaan verkondigen aan uw geestverwanten, namelijk aan hen die zijn van het geslacht-dat-niet-wankelt, een geslacht van volmaakte mensen, die in staat zijn te denken.’

Voorts zei hij tot mij: ‘Niemand heerst over de Geest, aangezien hij de alleenheerschappij bezit. De ware God, de Vader van het Al, de heilige Adem, de Onzichtbare, die het Al omvat, die in zijn onvergankelijkheid bestaat, is het die in het reine Licht is, waarin geen oog vermag te blikken. Men mag zich de Geest niet als een god voorstellen die op een bepaalde wijze geaard zou zijn, want hij is vele malen voortreffelijker dan goden. Een beginsel is hij, over wie niemand heerst, aangezien niemand vóór hem heeft bestaan. Hij heeft ….’

LEES DE LOFZANG VERDER …

Bron: Over de terugkeer naar de Oorsprong – Het geheime boek van Johannes met een inleiding door Konrad Dietzfelbinger

BESTEL OVER TERUGKEER NAAR DE OORSPRONG

LEES MEER OVER DE TIEN UITGAVEN VAN DE CRYSTALSERIE

DOE EEN BESTELLING EN ONVANG GRATIS: HET PROCES VAN TRANSFIGURATIE