Mijzelf tot pad zijn

Ik zag in de diepte der aarde
en in de hoogte der lucht.
En het was vol beweging:
een geboorte van vuur,
een schittering van sterren,
een uitdoven van vulkanen.

Ik keek om mij heen,
en het was vol beweging.
Ik zag mensen bouwen,
toppen bestijgen
en in krijgsgeweld ten onder gaan.

Ik schouwde in mijzelf,
doorgrondde het rusteloos beweeg
in een geboorte van vurig verlangen,
het bouwen van luchtkastelen
en het wegspoelen met tranen.

En het lijden der mensheid ziende
vroeg ik:‘Wat moet ik doen?’

Een fluistering bereikte mijn oor:
‘Wees een trap die reikt van de aarde tot de hemel,
waarop zij een trede tot het licht kunnen gaan’.
Doch mijn hart was onrustig en ik vroeg opnieuw:
‘Wat moet ik doen?’

Een fluistering bereikte mijn andere oor:
‘Wees een brug, die de ene oever met de andere verbindt,
zodat zij over de wilde stroom worden gedragen.’

Doch mijn hoofd was onrustig en ik vroeg opnieuw:
‘Wat moet ik doen?’

Er kwam geen antwoord.
Uit de hoogte, noch uit de diepte,
van alle anderen, noch van mijzelf.
De ruimte was antwoordloos.
Het moeten loste op in stil ont-moeten.
Ik kon niets doen
dan zelf-vergetend
mijzelf tot pad zijn.

Bron: Pentagam 1988-3

Dit gedicht is ook opgenomen op bladzijde 20 van het boek Mysteriën en lofzangen van God, kosmos, mens.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *