Begin van ‘Oorsprong’ van Dan Brown. Waar komen wij vandaan? Waar gaan wij naartoe ?

BESTEL OORSPRONG

In ‘Oorsprong’ van Dan Brown (auteur van onder andere De Da Vinci Code en Het wilde dierenorkest) keert Robert Langdon terug om een van de grootste mysteries in zijn carrière op te lossen. Robert Langdon, hoogleraar kunstgeschiedenis en symboliek, is te gast in het hypermoderne Guggenheim-museum in Bilbao, voor een belangrijke onthulling die de wetenschap voor altijd zal veranderen. De gastheer van de avond is Edmond Kirsch, een veertigjarige miljardair en futuroloog wiens oogverblindende hightech uitvindingen en gewaagde uitspraken hem wereldberoemd hebben gemaakt. Maar de zorgvuldig georkestreerde avond barst plotseling uit in chaos, waardoor Kirsch’ waardevolle ontdekking voorgoed dreigt te verdwijnen. Samen met de elegante museumdirecteur Ambra Vidal vlucht Langdon naar Barcelona, waar ze een spoor volgen dat ze uiteindelijk oog in oog zal brengen met Kirsch’ schokkende ontdekking

Op de achterkant van de omslag staat de nieuwsgierigmakende tekst

WIE JE OOK BENT

WAT JE OOK GELOOFT

ALLES GAAT NU VERANDEREN

De tekst van het boek wordt vooraf gegaan door een veelzeggend citaat van de bekende Amerikaanse mytholoog Joseph Campbell:

‘VOOR HET LEVEN DAT ONS WACHT,

MOETEN WE BEREID ZIJN ALLES LOS TE LATEN’

Hieronder volgen de trailer en tekst van de proloog en hoofdstuk 1 die door de uitgever (uitgeverij Luitingh-Sijthoff BV uit Amsterdam) beschikbaar zijn gesteld.

Proloog

Terwijl de oude tandradlocomotief zich langs de duizelingwekkende helling omhoogklauwde, bekeek Edmond Kirsch de grillige bergtop boven hem. Het massieve stenen klooster in de verte was in een steile wand gebouwd en leek in de ruimte te zweven, alsof het op magische wijze was vastgemaakt aan de verticale klif.

Dit tijdloze heiligdom in het Spaanse Catalonië had meer dan vier eeuwen weerstand geboden aan de nimmer aflatende zwaartekracht en was nooit afgeweken van zijn oorspronkelijke doel om de bewoners af te zonderen van de moderne wereld.

Wel ironisch dat ze nu de eersten zullen zijn die de waarheid te horen krijgen, dacht Kirsch, en hij vroeg zich af hoe ze zouden reageren. Historisch gezien waren mannen van God de gevaarlijkste op de wereld, vooral als hun goden werden bedreigd. En ik sta op het punt een vlammende speer in een wespennest te smijten.

Toen de trein de top had bereikt, zag Kirsch een eenzame gestalte op het perron staan. De verweerde, broodmagere man droeg traditionele katholieke kledij: een paarse soutane en een wit koorhemd, en een zucchetta op zijn hoofd. Kirsch herkende het magere gezicht van zijn gastheer van de foto’s en werd verrast door de adrenaline die opeens door zijn aderen stroomde.

Valdespino komt me persoonlijk begroeten.

Aartsbisschop Antonio Valdespino was een belangrijk man in Spanje: hij was niet alleen een vertrouwde vriend en raadgever van de koning, maar bovendien een van de meest uitgesproken en invloedrijke voorvechters van het behoud van de conservatieve katholieke waarden en traditionele politieke normen.

‘Edmond Kirsch, neem ik aan?’ zei de bisschop met gedragen stem toen Kirsch uitstapte.

‘Dat ben ik.’ Kirsch glimlachte toen hij de benige hand van zijn gastheer schudde. ‘Bisschop Valdespino, ik dank u omdat u deze ontmoeting mogelijk hebt gemaakt.’

‘Ik moet ú bedanken voor uw verzoek.’ De stem van de bisschop was krachtiger dan Kirsch had verwacht, helder en doordringend als een klok. ‘Het komt niet vaak voor dat we worden geraadpleegd door wetenschappers, en zeker niet door zo’n vooraanstaand wetenschapper als u. Deze kant uit, alstublieft.’

Toen Valdespino Kirsch meenam over het perron, rukte de koude bergwind aan zijn soutane.

‘Ik moet bekennen dat u er anders uitziet dan ik me had voorgesteld,’ zei Valdespino. ‘Ik verwachtte een wetenschapper, maar u bent heel…’ Hij wierp een enigszins afkeurende blik op het strak gesneden Kiton k50-pak en de Barker-schoenen van struisvogelleer van zijn gast. ‘“Hip” is het woord, geloof ik?’

Kirsch glimlachte beleefd. Het woord ‘hip’ is al eeuwen uit de mode.

‘Ik ben gespecialiseerd in speltheorie en computermodellen.’
‘Dus u maakt computerspelletjes voor kinderen?’
Kirsch voelde dat de bisschop zich wilde voordoen als een onwetende zonderling. Hij wist dat Valdespino angstaanjagend goed op de hoogte was van de technologie en anderen vaak waarschuwde voor de gevaren ervan. ‘Nee, de speltheorie is een tak van wiskunde die patronen bestudeert om voorspellingen te doen.’

‘Ach ja, ik geloof dat ik ergens heb gelezen dat u een aantal jaren geleden de Europese monetaire crisis hebt voorspeld. En toen niemand luisterde, hebt u de boel gered door een computerprogramma te bedenken dat de EU heeft doen opstaan uit de dood. Hoe luidde dat beroemde citaat ook alweer? “Ik ben met mijn drieëndertig jaar even oud als Jezus bij zijn wederopstanding.”’

Kirsch trok een lelijk gezicht. ‘Een slechte analogie, monseigneur. Ik was nog jong.’

‘Jong?’ De bisschop grinnikte. ‘En hoe oud bent u nu? Veertig misschien?’

‘Ik ben net veertig geworden.’

De oude man glimlachte, terwijl de sterke wind aan zijn soutane bleef rukken. ‘Het was de bedoeling dat de zachtmoedigen de aarde zouden beërven, maar in plaats daarvan is die in het bezit gekomen van de jeugd, van de technisch ingestelde jongelui die liever naar beeldschermen kijken dan naar hun ziel. Ik moet toegeven dat ik me nooit heb kunnen indenken dat ik de jongeman zou ontmoeten die de aanval leidt. Ze noemen u een profeet, weet u dat?’

‘In dit geval geen bijster goede, monseigneur,’ antwoordde Kirsch. ‘Toen ik vroeg of ik u en uw collega’s privé zou kunnen spreken, schatte ik de kans dat u op mijn verzoek zou ingaan op slechts twintig procent.’

‘Zoals ik mijn collega’s heb verteld, kan de gelovige altijd zijn voordeel doen met het aanhoren van niet-gelovigen. Als we de stem van de duivel horen, krijgen we meer waardering voor de stem van God.’ De oude man glimlachte. ‘Ik maak uiteraard een grapje. Vergeef een oude man zijn gevoel voor humor. Mijn filters werken soms niet meer zo goed.’

Bij die woorden gebaarde bisschop Valdespino naar het pad voor hen. ‘De anderen verwachten ons. Deze kant op, alstublieft.’

Kirsch keek even naar hun bestemming, een enorme citadel van grijze steen aan de rand van een steile klip die honderden meters af- daalde naar het weelderige tapijt van de beboste uitlopers. Kirsch kreeg een beetje last van hoogtevrees, dus wendde hij zijn blik af van het ravijn, volgde de bisschop over het ongelijke bergpad en dacht aan de ophanden zijnde bespreking.

Kirsch had een gesprek aangevraagd met drie vooraanstaande religieuze leiders, die hier een conferentie hadden bijgewoond.

Het Parlement van Wereldreligies.

Sinds 1893 kwamen om de paar jaar honderden spirituele leiders van bijna dertig wereldreligies op steeds een andere plek bijeen om de dialoog aan te gaan. De deelnemers vormden een brede schakering aan invloedrijke christelijke priesters, joodse rabbi’s en islamitische moellahs, aangevuld met hindoeïstische pandits, boeddhistische bhikkhu’s, jaina’s, sikhs en anderen.

Het doel van de conferentie was ‘om de harmonie tussen de wereld- religies te bevorderen, bruggen te bouwen tussen de diverse spirituele overtuigingen en de overeenkomsten tussen alle geloven te vieren’.

Een nobel doel, dacht Kirsch, hoewel hij het zag als een zinloze exercitie, een betekenisloze zoektocht naar willekeurige overeenkomsten in een wirwar van oude verdichtsels, fabels en mythen.

Terwijl bisschop Valdespino hem voorging over het pad, keek Kirsch naar beneden en dacht sardonisch: Mozes beklom een berg om het woord van God te aanvaarden, en ik beklim een berg om het tegendeel te doen.

Kirsch had zichzelf voorgehouden dat het een ethische verplichting was om deze berg te beklimmen, maar hij wist dat er een flinke dosis hoogmoed ten grondslag lag aan zijn bezoek. Hij keek er gretig naar uit om tegenover deze geestelijken te zitten en hen op de hoogte te stellen van hun ophanden zijnde ondergang.

Jullie hebben lang genoeg bepaald wat onze waarheid is.

‘Ik heb uw cv bekeken,’ zei de bisschop opeens met een zijdelingse blik op Kirsch. ‘Ik zie dat u hebt gestudeerd aan de Harvard-universiteit.’

‘Dat klopt, ja.’

‘Aha. Ik heb onlangs gelezen dat zich onder de eerstejaarsstudenten voor het eerst in de geschiedenis van Harvard meer atheïsten en agnostici bevinden dan aanhangers van enige religie. Dat is een veelzeggend feit, meneer Kirsch.’

Wat kan ik zeggen, de studenten worden steeds slimmer, had Kirsch het liefst geantwoord.

De wind nam toe toen ze bij het oude stenen bouwwerk aankwamen. In de zwak verlichte ingang van het gebouw hing een zware geur van brandende wierook. De twee mannen liepen kriskras door een doolhof van donkere gangen en Kirsch’ ogen hadden moeite zich aan te passen terwijl hij zijn gastheer volgde. Ten slotte kwamen ze bij een ongewoon kleine houten deur. De bisschop klopte, bukte en ging naar binnen, en maakte zijn gast duidelijk dat hij moest volgen.

Een beetje onzeker stapte Kirsch over de drempel.

Hij bevond zich in een rechthoekige kamer, waarvan de hoge wanden schuilgingen achter oude, in leer gebonden boekwerken. Haaks op de muren stonden vrijstaande boekenkasten, als een soort ribben, afgewisseld met gietijzeren radiatoren die bonkten en sisten, waardoor het vreemde gevoel ontstond dat de ruimte leefde. Kirsch keek omhoog naar de rijkversierde balustrades van de gang die om de ver- dieping heen liep en wist meteen waar hij was.

De beroemde bibliotheek van Montserrat. Het verbaasde hem dat hij hier was toegelaten. Deze heilige ruimte moest unieke, zeldzame teksten huisvesten, die alleen toegankelijk waren voor de monniken die hun leven hadden gewijd aan God en afgezonderd hier op de berg woonden.

‘U vroeg om discretie,’ zei de bisschop. ‘Dit is de meest besloten ruimte die we hebben. Er worden maar weinig buitenstaanders toegelaten.’

‘Een groot voorrecht. Dank u.’

Kirsch volgde de bisschop naar een grote houten tafel, waaraan twee oudere mannen zaten te wachten. De man aan de linkerkant zag er afgeleefd uit en had vermoeide ogen en een klitterige witte baard. Hij droeg een gekreukt zwart pak, een wit overhemd en een gleufhoed.

‘Dit is rabbi Jehoeda Köves,’ zei de bisschop. ‘Hij is een vooraanstaand joods filosoof die veel heeft geschreven over de kabbalistische kosmologie.’

Kirsch schudde rabbi Köves beleefd de hand. ‘Het is een eer u te ontmoeten, meneer. Ik heb uw boeken over de kabbala gelezen. Ik kan niet zeggen dat ik ze begreep, maar ik heb ze gelezen.’

Köves neeg vriendelijk en depte met zijn zakdoek zijn waterige ogen.

‘En dit,’ ging de bisschop verder, en hij gebaarde naar de andere man, ‘is de gerespecteerde oelama Syed al-Fadl.’

De eerbiedwaardige islamist stond op en glimlachte breed. Hij was klein en gezet en had een joviaal gezicht, dat niet leek te passen bij zijn donkere, doordringende ogen. Hij was gekleed in een simpele witte thobe. ‘Meneer Kirsch, ik heb uw voorspellingen over de toekomst van de mens gelezen. Ik kan niet zeggen dat ik het ermee eens ben, maar ik heb ze gelezen.’

Kirsch glimlachte beleefd en schudde de man de hand.

‘En dit is onze gast, Edmond Kirsch,’ zei de bisschop tot besluit tegen zijn twee collega’s. ‘Zoals u weet, staat hij in hoog aanzien als computerwetenschapper, speltheoreticus en uitvinder en is hij een soort profeet in de technologische wereld. Gezien zijn achtergrond heb ik me verbaasd over zijn verzoek ons drieën te mogen toespreken. Daarom zal ik het aan meneer Kirsch overlaten om uit te leggen wat hij hier komt doen.’

Met die woorden ging bisschop Valdespino naast zijn twee collega’s zitten, vouwde zijn handen en keek afwachtend naar Kirsch op. De drie mannen zaten als een tribunaal tegenover hem, zodat er eerder een sfeer ontstond van een inquisitie dan van een vriendschappelijk gesprek tussen wetenschappers. De bisschop had niet eens een stoel voor hem klaargezet, zag Kirsch nu.

Kirsch was meer verbaasd dan geïntimideerd toen hij de drie oude mannen bekeek. Dus dit is de heilige drie-eenheid waar ik om heb gevraagd. De drie wijze mannen.

Hij nam even de tijd om te laten zien dat hij niet onder de indruk was en liep naar het raam om naar het adembenemende uitzicht te kijken. In de diepe vallei strekte zich een zonovergoten lappendeken van oud boerenland uit, tot aan de verweerde pieken van de Collserola. Kilometers daarachter, ergens boven de Balearische Zee, ontstond een dreigende wolkenbank aan de horizon.

Hoe toepasselijk, vond Kirsch, denkend aan de turbulentie die hij straks zou veroorzaken in deze ruimte en in de wereld als geheel.

‘Heren,’ begon hij, en hij draaide zich abrupt naar hen om. ‘Ik geloof dat bisschop Valdespino al aan u heeft doorgegeven dat ik u om geheimhouding verzoek. Voor we verdergaan, wil ik duidelijk gesteld hebben dat wat ik met u ga delen strikt vertrouwelijk moet blijven. Eigenlijk vraag ik u te zweren dat u hierover zult zwijgen. Bent u daartoe bereid?’

De drie mannen knikten, maar Kirsch wist dat het eigenlijk overbodig was. Ze zullen deze informatie in de doofpot willen stoppen, niet openbaar maken.

‘Ik ben hier vandaag,’ ging Kirsch verder, ‘omdat ik een wetenschappelijke ontdekking heb gedaan die u volgens mij zal verbazen. Ik ben hier al vele jaren mee bezig, in de hoop antwoord te krijgen op twee van de meest fundamentele vragen binnen de menselijke ervaring. Nu ik in mijn opzet ben geslaagd, ben ik naar u toe gekomen omdat ik van mening ben dat deze informatie een enorme impact zal hebben op de gelovigen van deze wereld en mogelijk een verandering teweeg zal brengen die alleen kan worden omschreven als… ontwrichtend, zullen we maar zeggen. Op dit moment ben ik de enige op de wereld die beschikt over de informatie die ik met u ga delen.’

Kirsch haalde een overmaatse smartphone uit zijn jaszak, een toestel dat hij had ontworpen en in elkaar gezet om te voldoen aan zijn eigen unieke behoeften. Om de telefoon zat een hoes met een felgekleurd mozaïekmotief en hij zette het toestel als een televisie voor de drie mannen neer. Over een paar tellen zou hij een ultraveilige server bellen, zijn wachtwoord van tweeënzestig cijfers invoeren en een presentatie voor hen livestreamen.

‘Wat u nu gaat zien,’ zei Kirsch, ‘is een ruwe versie van een mededeling die ik aan de wereld hoop te doen – over een maand of zo. Maar voordat ik dat doe, wil ik het advies inwinnen van enkele van de invloedrijkste religieuze denkers van de wereld, om inzicht te krijgen in hoe dit nieuws zal worden ontvangen door degenen die er het meest door worden geraakt.’

De bisschop slaakte een diepe zucht, die eerder verveeld dan bezorgd klonk. ‘Een intrigerende inleiding, meneer Kirsch. U spreekt alsof wat u ons zult laten zien de wereldreligies op hun grondvesten zal doen schudden.’

Kirsch keek naar de oude ruimte vol heilige teksten. Ik zal ze niet op hun grondvesten laten schudden. Ik zal ze verwoesten.

Hij bekeek de mannen die voor hem zaten. Wat zij niet wisten, was dat Kirsch over drie dagen zijn presentatie openbaar wilde maken in een verbijsterend, zorgvuldig gearrangeerd evenement. Zodra hij dat deed, zou de hele wereld weten dat de leringen van alle religies één ding gemeen hadden.

Ze zaten er allemaal totaal naast.

Hoofdstuk 1

Professor Robert Langdon keek naar de twaalf meter hoge hond die op het plein zat. De vacht van het dier bestond uit een levend tapijt van gras en geurende bloemen.

Ik probeer je mooi te vinden. Echt.

Langdon bleef het dier nog even bekijken en liep toen verder over het verhoogde wandelpad en een reeks van brede trappen, waarvan de ongelijke treden bedoeld waren om de bezoeker uit zijn ritme te halen. Dat is gelukt, besloot Langdon nadat hij twee keer bijna was gestruikeld.

Onder aan de trappen kwam Langdon abrupt tot stilstand en staarde naar een massief object dat voor hem opdoemde.

Nu heb ik alles gezien.

Er rees een torenhoge zwarte spin voor hem op, waarvan de tengere ijzeren poten een bol lijf op een hoogte van minstens negen meter ondersteunden. Aan de onderbuik van de spin hing een eierzak van gaas, gevuld met glazen bollen.

‘Haar naam is Maman,’ zei een stem.

Langdon keek naar beneden en zag een tengere man onder de spin staan. Hij droeg een sherwani van zwart brokaat en had een bijna komische, krullende Salvador Dalí-snor.

‘Ik ben Fernando,’ ging hij verder, ‘en ik heet u welkom in het museum.’ De man bekeek een verzameling naamstickers op de tafel voor hem. ‘Mag ik uw naam, alstublieft?’

‘Natuurlijk. Robert Langdon.’

De man keek meteen weer op. ‘Ach, neem me niet kwalijk! Ik had u niet herkend, meneer!’

Ik herken mezelf amper. Wat een opgeprikte toestand, dacht Langdon, stijf in zijn rokkostuum en witte vest. Langdons klassieke rokkostuum was bijna dertig jaar oud en stamde nog uit de tijd dat hij lid was van de Ivy Club in Princeton, maar dankzij zijn vaste gewoonte om dagelijks een paar baantjes te zwemmen paste het nog best goed. Hij had zo’n haast gehad bij het inpakken dat hij de verkeerde kledinghoes uit de kast had gegrist en zijn smoking had laten hangen.

‘Op de uitnodiging stond zwart en wit,’ zei Langdon. ‘Ik neem aan dat een rok gepast is?’

‘Een rok is klassiek! U ziet er oogverblindend uit.’ De man haastte zich naar hem toe en plakte zorgvuldig een naamsticker op de revers van Langdons jas.

‘Het is een eer om u te zien, meneer,’ zei de besnorde man. ‘Dit is ongetwijfeld niet uw eerste bezoek?’

Langdon keek tussen de spinnenpoten door naar het glanzende gebouw voor hem. ‘Ik schaam me het te moeten zeggen, maar ik ben hier nog nooit geweest.’

‘Werkelijk!’ De man deed alsof hij steil achteroversloeg. ‘U bent geen liefhebber van moderne kunst?’

Langdon had altijd genoten van de uitdaging waarvoor moderne kunst hem stelde, in het bijzonder als het om de vraag ging waarom bepaalde stukken werden beschouwd als meesterwerken: de druipende schilderijen van Jackson Pollock, de blikken Campbell Soup van Andy Warhol, de simpele gekleurde rechthoeken van Mark Rothko. Toch voelde hij zich meer op zijn gemak bij een gesprek over de religieuze symboliek van Hieronymus Bosch of de penseelvoering van Francisco de Goya.

‘Ik ben meer klassiek ingesteld,’ antwoordde Langdon. ‘Ik heb meer met Da Vinci dan met De Kooning.’

‘Maar Da Vinci en De Kooning lijken zo op elkaar!’

Langdon glimlachte geduldig. ‘Kennelijk moet ik nog veel leren over De Kooning.’

‘Dan bent u hier aan het juiste adres!’ De man maakte een weids armgebaar naar het enorme gebouw. ‘In dit museum vindt u een van de mooiste collecties moderne kunst op de wereld! Ik hoop dat u ervan geniet.’

‘Dat ben ik wel van plan,’ antwoordde Langdon. ‘Ik wou alleen dat ik wist wat ik hier kom doen.’

‘U bent niet de enige!’ De man lachte vrolijk en schudde zijn hoofd. ‘Uw gastheer doet heel geheimzinnig over het doel van dit evenement. Zelfs het museumpersoneel weet niet wat er gaat gebeuren. En dat is de helft van de pret; de wildste geruchten doen de ronde! Er zijn een paar honderd gasten binnen – veel beroemde gezichten – en niemand heeft enig idee wat hun vanavond te wachten staat!’

Nu lachte Langdon. Er waren niet veel gastheren die het lef hadden om lastminute-uitnodigingen te versturen waarin niet veel meer stond dan: Zaterdagavond. Dit wilt u niet missen! En er waren er nog minder die honderden vips konden overhalen alles uit hun handen te laten vallen en naar Noord-Spanje te vliegen om aanwezig te kunnen zijn.

Langdon liep onder de spin door, volgde het pad en keek op naar de enorme rode banier die boven hem wapperde.

Een avond met Edmond Kirsch

Aan zelfvertrouwen heeft het Edmond in elk geval nooit ontbroken, dacht Langdon geamuseerd.

Een jaar of twintig geleden was de jonge Eddie Kirsch op Harvard een van Langdons eerste studenten geweest, een computernerd met een ragebol en een grote belangstelling voor codes. Die belangstelling had hem naar Langdons seminar voor eerstejaars gebracht, ‘Code, geheimschrift en de taal van symbolen’. Langdon was diep onder de indruk geraakt van Kirsch’ geraffineerde intellect, en hoewel Kirsch de stoffige wereld van de semiotiek uiteindelijk had ingeruild voor de glanzende belofte van de computer, was tussen hem en Langdon een band ontstaan die ervoor had gezorgd dat ze gedurende de twintig jaar na Kirsch’ afstuderen contact hadden gehouden.

Inmiddels is de student de leraar voorbijgestreefd. Wat heet, lichtjaren voorbijgestreefd, dacht Langdon.

Edmond Kirsch was inmiddels een wereldberoemde non-conformist – miljardair, computerdeskundige, futuroloog, uitvinder en ondernemer. Op zijn veertigste had hij een verbluffende reeks geavanceerde technologieën voortgebracht, die grote sprongen voorwaarts mogelijk hadden gemaakt op uiteenlopende gebieden als de robotica, hersenwetenschap, kunstmatige intelligentie en nanotechnologie. En zijn accurate voorspellingen over toekomstige wetenschappelijke doorbraken hadden de man een mystiek aura verleend.

Langdon vermoedde dat Edmonds griezelige vermogen om dingen te voorspellen te maken had met zijn verbijsterend brede kennis van de wereld om hem heen. Zolang als Langdon zich kon herinneren was Edmond een onverzadigbare bibliofiel geweest, die alles las wat hem voorhanden kwam. Langdon had nog nooit iemand meegemaakt die zo’n passie had voor boeken en die zo goed in staat was de inhoud tot zich te nemen.

De laatste paar jaar woonde Kirsch voornamelijk in Spanje, een keus die hij toeschreef aan een blijvende liefde voor de ouderwetse charme, de avant-gardistische architectuur, de excentrieke kroegen en het ideale weer van het land.

Een keer per jaar keerde Kirsch terug naar Cambridge, Massachusetts, om een lezing te houden in het Media Lab van het Massachusetts Institute of Technology, en dan ging Langdon met hem eten in een trendy nieuwe gelegenheid in Boston waar hij nog nooit van had gehoord. In hun gesprekken kwam de technologie niet aan bod; Kirsch wilde met Langdon alleen over kunst praten.

‘Jij bent mijn liaison met de cultuur, Robert,’ zei Kirsch vaak voor de grap. ‘Mijn persoonlijke bachelor of arts!’

De speelse toespeling op Langdons burgerlijke staat was bijzonder ironisch van de kant van een medevrijgezel die monogamie afschreef als ‘een belediging van de evolutie’ en die in de loop der jaren was gefotografeerd met een breed scala aan supermodellen.

Gezien Kirsch’ reputatie als innovator in de computerwetenschap zou je kunnen denken dat hij een stijve technonerd was. Maar hij was uitgegroeid tot een moderne popicoon, die zich ophield in de kringen van de beroemdheden, zich kleedde naar de laatste mode, luisterde naar esoterische undergroundmuziek en een brede verzameling kostbare impressionistische en moderne kunstwerken had aangelegd. Kirsch mailde Langdon vaak om zijn advies te vragen over nieuwe aankopen.

En dan doet hij precies het tegenovergestelde, peinsde Langdon. Ongeveer een jaar geleden had Kirsch Langdon verrast door hem niet iets over kunst te vragen, maar over God – een vreemd onderwerp voor iemand die prat ging op zijn atheïsme. In Tiger Mama had Kirsch Langdon bij een bord short-rib crudo uitgehoord over de basisovertuigingen van verschillende religies en in het bijzonder over hun zienswijze op de schepping.

Langdon gaf hem een gedegen overzicht van de verschillende versies, van het Genesisverhaal, dat werd gedeeld door het jodendom, het christendom en de islam, tot de hindoeïstische geschiedenis van Brahma, de Babylonische vertelling over Mardoek en soortgelijke mythologieën.

‘Nu ben ik toch wel benieuwd,’ zei Langdon toen ze het restaurant verlieten. ‘Waarom heeft een futuroloog zoveel belangstelling voor het verleden? Moet ik hieruit opmaken dat onze beroemde atheïst eindelijk God heeft gevonden?’

Edmond lachte hartelijk. ‘Dat mocht je willen! Ik verdiep me in de competitie, Robert.’

Langdon glimlachte. Echt iets voor hem. ‘Ach, wetenschap en religie zijn geen vijanden, maar twee verschillende talen die het- zelfde verhaal willen vertellen. Er is op deze wereld ruimte voor allebei.’

Na die ontmoeting had Edmond bijna een jaar niets van zich laten horen. Maar drie dagen geleden had Langdon opeens een FedEx-envelop ontvangen met een vliegticket, een hotelreservering en een handgeschreven briefje van Edmond waarin hij werd aangespoord het evenement van vanavond bij te wonen. Er stond: ‘Robert, het zou ontzettend veel voor me betekenen als juist jij kon komen. Jouw inzichten bij ons laatste gesprek hebben deze avond mede mogelijk gemaakt.’

Langdon was verbaasd. Niets aan dat gesprek leek ook maar in de verste verte relevant voor een evenement dat werd georganiseerd door een futuroloog.

In de envelop zat ook een zwart-witafbeelding van twee gezichten tegenover elkaar. Kirsch had een kort gedicht voor Langdon geschreven.

Robert,

Van aangezicht tot aangezicht werp ik op alle vragen licht.

Edmond

Langdon glimlachte toen hij de afbeelding zag – een slimme verwijzing naar een geschiedenis waar Langdon een paar jaar eerder bij betrokken was geraakt. De lege ruimte tussen de twee gezichten was eigenlijk het silhouet van een kelk of graal.

En nu stond Langdon voor dit museum, nieuwsgierig naar wat zijn voormalige student openbaar ging maken. De panden van zijn rokkostuum bewogen op het lichte briesje toen hij over het betonpad langs de oever van de meanderende Nervión liep, die eens de slagader was geweest van een welvarende industriestad.

Toen Langdon een bocht om kwam, keek hij eindelijk op naar het enorme, glinsterende museum. Het was onmogelijk het bouwwerk in één keer op te nemen. In plaats daarvan ging zijn blik heen en weer over de hele lengte van de bizarre, uitgerekte vorm.

Dit gebouw breekt niet alleen de regels, het negeert ze totaal. Een perfecte plek voor Edmond.

Het Guggenheim Museum in het Spaanse Bilbao was net een buitenaardse hallucinatie, een wervelend samenraapsel van verwrongen metalen vormen die bijna willekeurig tegen elkaar leken te zijn gezet. De langgerekte, chaotische massa was gedrapeerd met meer dan dertigduizend titaniumtegels, die glinsterden als visschubben en het geheel een tegelijkertijd organisch en buitenaards aanzien gaven, alsof een futuristisch monster uit het water was gekropen om zich op de rivieroever te koesteren in de zon.

Toen het gebouw in 1997 werd onthuld, schreef The New Yorker lovend dat de architect, Frank Gehry, ‘een fantastisch droomschip van golvende vormen in een mantel van titanium’ had ontworpen. Andere fans van over de hele wereld hadden het over ‘het mooiste gebouw van onze tijd’, ‘levendig en briljant’ en ‘een verbijsterende architecturale prestatie’.

Sinds de opening van het museum waren er tientallen andere ‘deconstructivistische’ gebouwen uit de grond gestampt: de Disney Concert Hall in Los Angeles, bmw World in München en zelfs de nieuwe bibliotheek van Langdons eigen alma mater. Al die gebouwen hadden een radicaal ontwerp en waren op onconventionele wijze gebouwd, maar toch betwijfelde Langdon of er een bij was dat net zo choquerend was als het Guggenheim in Bilbao.

Terwijl Langdon naderde, leek de betegelde gevel met elke stap te veranderen en vanuit elke hoek een andere persoonlijkheid aan te nemen. Nu werd de indrukwekkendste illusie van het museum zichtbaar. Vanuit dit perspectief leek het kolossale bouwwerk letterlijk op het water te drijven, op drift in een oneindige lagune die tegen de buitenmuren kabbelde.

Langdon bleef even staan om zich te verwonderen over het effect en stak toen de lagune over via de minimalistische voetbrug die zich over het glazige wateroppervlak boog. Hij was pas halverwege toen hij schrok van een luid gesis. Het kwam van onder zijn voeten. Hij bleef als aan de grond genageld staan toen er een wervelende mist onder het pad vandaan wolkte. De dikke nevel steeg om hem heen op en tuimelde over de lagune naar het museum, waar hij de basis van het gebouw overspoelde.

The Fog Sculpture, dacht Langdon.

Hij had gelezen over dit werk van de Japanse kunstenaar Fujiko Nakaya. De ‘sculptuur’ was revolutionair omdat ze was opgebouwd uit zichtbare lucht, een muur van nevel die steeds weer opdook en vervloog, en omdat de wind en de atmosferische omstandigheden van dag tot dag verschilden, was de sculptuur bij elke verschijning anders.

De brug hield op met sissen en Langdon zag de mist stil over de lagune zakken, wervelend en kruipend alsof hij een eigen wil had. Het effect was zowel etherisch als desoriënterend. Het hele museum leek nu boven het water te zweven, gewichtloos op een wolk – als een spookschip.

Net toen Langdon weer op weg wilde gaan, werd het stille water- oppervlak doorbroken door een reeks kleine uitbarstingen. Donderend als raketmotoren schoten er opeens vijf vlammende zuilen uit de lagune naar de hemel, die de zware nevellucht doorboorden en felle lichtflitsen over de titaniumtegels van het museum wierpen.

Langdons eigen smaak in architectuur neigde meer naar de klassieke stijl van musea als het Louvre of het Prado, maar toen hij de mist en de vlammen boven de lagune zag, kon hij geen geschiktere plaats bedenken dan dit ultramoderne museum voor het evenement van een man die gek was op kunst en innovatie en die zo’n duidelijk beeld had van de toekomst.

Ten slotte liep Langdon door de mist naar de ingang van het museum, een onheilspellend zwart gat in de reptielachtige structuur. Toen hij er vlak voor stond, had Langdon het ongemakkelijke gevoel dat hij de muil van een draak binnenging…

Bron: ‘Oorsprong’ van Dan Brown

BESTEL OORSPRONG