BESTEL ONUITPUTTELIJK IS DE WAARHEID
Otto Duintjer (1932-2020) was hoogleraar Filosofie en Spiritualiteit. Hij verbond belangrijke vragen uit de westerse filosofie met inzichten uit spirituele tradities en combineerde deze op een unieke manier. Verschillende aspecten van zijn denken komen samen in zijn laatste boek ‘Onuitputtelijk is de waarheid‘. Centraal in het boek staan belangrijke thema’s als levensbeaming, (universeel) bewustzijn, waarheid en hun onderlinge samenhang.
Levensbeaming vraagt een bereidheid je open te stellen voor de dingen zoals die zich aan ons bewustzijn manifesteren, en niet zoals je denkt, wenst of vreest dat ze zijn. Pas vanuit een open bewustzijn is het echt mogelijk de werkelijkheid te beoordelen en onbevooroordeeld te handelen naar elke situatie die zich voordoet in het hier en nu. Na een beschrijving van zijn persoonlijke zoektocht werkt Duintjer stap voor stap deze thema’s uit in discussie met Plato en Heidegger, en met levensbeschouwelijke stromingen als het moderne humanisme en Advaita Vedanta. Zo laat hij zien dat filosofische reflectie en spirituele oefeningen kunnen helpen om de werkelijkheid beter te begrijpen.
BESTEL ONUITPUTTELIJK IS DE WAARHEID
INLEIDING DOOR WOEI LIEN-CHONG – OTTO DUINTJER EN HET RONDOM
De bekende Amsterdamse filosoof en hoogleraar Otto Dirk Duintjer (1932-2020) maakte met zijn baanbrekende spirituele filosofie grote indruk op velen van zijn studenten en lezers. In de onderhavige bundel, oorspronkelijk uit 2002, bracht hij een aantal van zijn eerdere publicaties bijeen die belangrijke aspecten markeren van zijn bijzondere wijsgerige weg. In deze inleiding schets ik in brede hoofdlijnen de achtergrond waartegen Duintjer de artikelen in deze bundel schreef, zodat de lezer ze kan situeren in de context van zijn oeuvre.
Duintjers filosofie was voor sommigen ooit aanleiding om hem ‘een Nederlandse daoïst’ te noemen, een bijnaam die inderdaad heel passend is, zoals ik in een recent boek, Rondom Dao, laat zien. Overigens ontdekte Duintjer pas achteraf dat zijn filosofie raakvlakken had, niet alleen met sommige Oosterse stromingen, maar ook met de Bijbel, Plato, Eckhart en andere geschriften uit de Westerse traditie. Hij las deze geschriften, die hij als theoloog en filosoof al lang kende, nu met andere ogen. Hoofdstuk II in deze bundel, over Plato, is hiervan een fascinerend voorbeeld.
In deze inleiding zal ik vaak verwijzen naar Rondom Dao, waarin een uitgebreide bespreking van Duintjers leven en werk is opgenomen. In dat boek staan ook gedetailleerde bronverwijzingen en een lange bibliografie die ik hier niet zal herhalen; om ruimte te sparen beperk ik me grotendeels tot het vermelden van de pagina’s in Rondom Dao waarop de bronverwijzingen te vinden zijn.
Het is alweer lang geleden dat ik Otto voor het eerst ontmoette: in 2005, acht jaar na zijn emeritaat. Hoewel ik zelf dus niet bij hem heb gestudeerd, hebben we door de jaren heen diverse gesprekken gevoerd over zijn filosofie, en leerde ik hem ook als persoon tot op
zekere hoogte kennen. In deze gesprekken ging hij vaak dieper in op bepaalde onderwerpen die hij in deze bundel slechts kort kon bespreken.
Duintjers spirituele zoektocht
Duintjers gracieuze en ietwat tengere gestalte herbergde een markante en eigenzinnige persoonlijkheid. Hij ging altijd vastbesloten zijn eigen weg, ook als hij daar een hoge prijs voor moest betalen. Enerzijds was hij, als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam (1970-1997), een gerespecteerd lid van de academie. Hij had in 1966 grote indruk gemaakt met een monumentaal proefschrift over Kant en Heidegger, en zijn colleges waren buitengewoon populair onder de studenten. Hij kweet zich de eerste 17 jaar ook plichtsgetrouw van de vele bestuurlijke taken die in de huidige tijd nu eenmaal aan een reguliere leerstoel kleven.
Anderzijds werd hij al vanaf zijn studententijd gedreven door een rusteloze spirituele en existentiële zoektocht die hem uiteindelijk tot ver buiten de grenzen van de universitaire filosofie zou voeren, en waarvoor hij privé grote offers moest brengen. Uit dit proces van zelftransformatie kwamen de baanbrekende werken voort die hij beschouwde als zijn meest originele bijdrage aan de wijsbegeerte: Rondom regels (1977), Rondom metafysica (1988), Hints voor een diagnose: naar aanleiding van Kant. Over aard, grenzen en alternatieven van het rationeel-empirisch bewustzijn (1988), alsmede de artikelen in deze bundel.
In 1987 gaf Duintjer zijn ordinariaat bij de UvA vrijwillig op, en zette zijn hoogleraarschap voort op een andere wijze, tot zijn emeritaat in 1997. Op deze manier, bevrijd van bestuurlijke taken, had hij meer tijd om te schrijven, en te werken aan zijn eigen spirituele praxis. Ook wilde hij zijn kritische commentaar over de maatschappelijke en politieke actualiteit gaan verbreiden onder een groter publiek.
Crisis en depressie
Duintjers lange en meanderende weg begon in het midden van de jaren vijftig, toen hij, tijdens zijn studie theologie aan de VU in Amsterdam, werd overvallen door een zware existentiële crisis. Vormen van houvast die hem in zijn jeugd hadden omringd vielen plotseling weg, waardoor hij in een ernstige depressie belandde, en enige jaren rondliep met plannen om een eind aan zijn leven te maken. Zijn wanhoop was des te dieper omdat hij tot dan toe een heel beschermd leven had geleid.
Hij was de jongste zoon in een gereformeerd gezin met vier kinderen. Zijn vader, die werkte voor een bank, was een strenge man die weinig van zijn emoties liet zien, maar onderwijl naar buiten toe flink opschepte over zijn begaafde jongste telg. Hij koesterde de wens dat zijn golden boy dominee zou worden.
Als student theologie leek Otto in eerste instantie goed op weg om zijn vaders droom waar te maken. Maar door de crisis die hem halverwege de studie overviel nam zijn leven een radicale wending. In hoofdstuk 1 hieronder schrijft hij, dat hij last had van obsessieve bloosangst. Maar daar lagen nog veel dieperliggende problemen achter: hij verloor het christelijk geloof, en worstelde met zijn seksuele geaardheid. Otto vermeldt, bijna en passant, dat zijn crisis te maken had met het einde ‘van een schoolvriendschap’. Maar dat verlies had hem veel pijnlijker geraakt dan uit deze korte opmerking naar voren komt. Tijdens een gesprek in 2018 vertelde hij me, dat de schoolvriendschap in kwestie hem zeer dierbaar was geweest. Als tiener trok hij intensief op met Frank, een sportieve jongen met wie hij geregeld ging zeilen op de Loosdrechtse plassen, en lange voettochten maakte in Zweden.
Later, toen Otto theologie ging studeren, verloor hij Frank, die begon aan een studie medicijnen, echter steeds meer uit het oog, vooral toen Otto zich na zijn studie theologie inschreef als student wijsbegeerte in het verre Groningen. Hun vriendschap was weliswaar, vertelde Otto, niet fysiek geweest, maar er was wel sprake van een wederzijdse aantrekkingskracht. Doordat ze elkaar echter na hun schooltijd vrij abrupt uit het oog verloren, bleef hij achter in een staat van verwarring over de betekenis van zijn homo-erotische gevoelens en mogelijk biseksuele geaardheid.
Deze verwarring, en het feit dat hij Frank steeds meer minder zag, deden hem in een zware depressie belanden, ook omdat hij in diezelfde tijd getroffen werd door een tweede rampzalige gebeurtenis: hij verloor het christelijke geloof. Hij was altijd vervuld geweest van het idee dat er een welwillende god was die je beschermde, en juist omdat het geloof zijn leven zo vervuld had, was het wegvallen ervan alsof hij in een diepe afgrond werd gestoten. Waarschijnlijk werd hij ook gekweld door het besef dat hij geen dominee meer zou worden, en daarmee zijn vader diep teleur zou stellen.
VOORWOORD
De luchtige diepgang van het leven (inspirerend, eng, ontroerend) kan in sommige situaties meer tot ons doordringen dan anders. Op zulke ogenblikken lijken we iets te merken wat juist verband houdt met heel het leven, met wat telkens aan de gang is, met de achtergrond van alle situaties. Essentieel, maar moeilijk met woorden bij te komen. Wijd èn hier. Woorden ook als ze beogen aan dat verband te herinneren en iets ervan te verduidelijken, eisen zelf soms een soort aandacht op die moeilijk verenigbaar kan zijn met directe ervaring van dit verband.
Trouwens, woorden gericht tot onbekende anderen, met wie je niet vanzelfsprekend dezelfde associaties en concretiseringen deelt die in die woorden als afkortingen zijn samengevat, kunnen sowieso abstracter klinken dan ze bedoeld zijn. Maar, anders dan een gedicht,
hoeft een filosofisch vertoog ook niet steeds en rechtstreeks het concrete op te roepen. Een filosofisch omweggetje (mits met mate) kan soms helpen ons denken te verhelderen; en dan zijn we mogelijk iets beter voorbereid als vervolgens het concrete weer voor ons opduikt.
Dit boekje bevat filosofische verwoordingen van inzichten en vermoedens waartoe levensloop en geestelijke ontwikkeling mij tot dusver gebracht hebben. De meeste onderwerpen komen al aan de orde in het eerste hoofdstuk, waar ze geïntroduceerd worden in een enigszins verhalend betoog, hier en daar autobiografisch gekleurd. Dan volgen nadere toespitsingen, hetzij in aansluiting bij bepaalde noties van filosofen zoals Plato (hoofdstuk II) en Heidegger (hoofdstuk III), hetzij in een uiteenzetting met enkele levensbeschouwelijke tradities zoals westers humanisme (hoofdstuk IV) en vedanta uit India (hoofdstuk V).
Meer inhoudelijk gezegd gaat het over bewustzijn en waarheid, over spiritualiteit en levensbeaming, over eros en (naasten)liefde, over de relativiteit van culturen en het universele in ieder individu. Wat ik hierover zeg kan deels existentieel (in verband met levenshouding) betekenis hebben, deels theoretisch filosofisch, of beide. Maar gedachtegangen die in dit boek stap voor stap worden uitgewerkt, komen in deze inleiding hooguit voor in samengeperste vorm. Vandaar dat dit ‘voorwoord’ ook achteraf gebruikt kan worden als selectieve herinnering aan een paar hoofdzaken die in het boek uitgebreid worden toegelicht.
Het nu volgende biedt enkele stellingen over een drietal thema’s die door heel het boek heen lopen: levensbeaming, bewustzijn en waarheid. Met het oog op hun samenhang. Als de existentiële strekking van dit boek met één woord zou kunnen worden samengevat, zou ik beginnen met een woord als levensbeaming. Minachting of verwaarlozing van delen van de werkelijkheid (zoals lichaam, materie, gevoel, verstand) is evenzeer een karikatuur van spiritualiteit als exclusivistische verabsolutering van enig deel van de werkelijkheid (eigen volk of klasse; een heilig boek of instituut; markt, mode, media).
Bij het woord levensbeaming denk ik beslist niet aan doffe berusting, ook niet aan idealisering van het leven als alleen maar mooi en aardig. Eerder aan iets wat bijvoorbeeld ’ter keuze’ kan staan bij het uit bed komen ‘s morgens, vooral als geen onmiddellijke verplichtingen daartoe lijken te dwingen. Wat de dag dan zal brengen is deels onbekend of onzeker. Zowel wat je te zien en te horen zult krijgen, wie en wat er op je weg zal komen en hoe, alsook wat voor gevoelens en gedachten er in jezelf zullen opkomen.
Of één en ander gunstig zal uitpakken, daarover hoef je bij voorbaat niet per se een oordeel te hebben. Maar opstaan vereist wel enige bereidheid om je bloot te stellen aan het proces van ‘onthulling’ of ‘manifestatie’ dat je die dag te wachten staat. Vaak ogenschijnlijk triviale, soms ook ingrijpende onthullingen, over jezelf en over mensen en dingen in de wereld. Je blootstellen aan de onthulling van het onvoorspelbare mengsel van bekende en van onbekende zaken, onvoorspelbaar omdat van tevoren niet vast staat waaruit het onbekende deel en waaruit het bekende deel dit keer zal bestaan, noch in welke verhouding ze gemengd zullen zijn, noch welke wijze van onthullen je zal overkomen.
Bedoelde beaming betreft dus een proces van openbaarwording, waarvan je telkens slechts een fragment meemaakt. Terwijl geen enkel fragment ooit in staat stelt om te weten dat nu alle onthulling ten einde is.
De bereidheid om je bloot te stellen aan dit avontuur – en dat bedoel ik met ‘levensbeaming’ – zal sterker en vrijer kunnen zijn naarmate er minder hoeft te worden afgeweerd en uitgesloten wat betreft eventuele manifestaties van werkelijkheid, en naar mate manifestaties die jouw voorkeur genieten geen verslavende macht over je hebben. Leven: een manifestatieproces; levensbeaming: een leerproces.
Leren om niet bij voorbaat confrontaties uit te sluiten met bepaalde personen en toestanden, of kanten van jezelf: deze pointe (niets bij voorbaat uitsluiten) motiveert mede mijn gebruik van generaliserende woorden als ‘de werkelijkheid’, ‘het leven’, ‘wat er ook gebeurt’. Eindige wezens kunnen uiteraard nooit ‘dé werkelijkheid’ kennen of tegenkomen. Bedoelde beaming betreft dan ook de werkelijkheid zoals die zich manifesteert en wel per situatie zich manifesteert (waarbij wat geleerd werd van vroegere situaties basis kan zijn, en de mogelijkheid van andere situaties zich aftekent als contour van de gegeven situatie).
Als in dit boek wel eens abstract klinkende uitdrukkingen gebruikt zullen worden, zoals ‘alomvattende ruimte’, ‘alle bewuste wezens’, ‘alle mogelijke verschijnselen’, dan is de existentiële betekenis daarvan gericht op elke situatie, ieder die op je weg komt, of wat er ook per keer in je opkomt. Zonder enige manifestatie van iets of iemand bij voorbaat uit te sluiten of te verdringen. Wat overigens juist ruimte laat voor heel verschillende antwoorden op aard en inhoud van zo’n manifestatie.
Afgaande op wàt dan manifest wordt, kan bijvoorbeeld geantwoord worden met dankbaar genieten, of met spontane hulpverlening, maar ook met bewust afstand nemen of vreedzaam bestrijden (kritisch op woorden en daden, zonder mensen af te schrijven). Onvoorwaardelijke
beaming past alleen jegens het manifestatieproces zelf; in het licht daarvan kunnen relatieve onderscheidingen (tussen al wat manifest wòrdt) kritisch onderkend en serieus genomen worden.
Die beaming heeft dus betrekking op openbaarwording of manifestatie van werkelijkheid aan en in ons bewustzijn. Wat ik hier ‘manifestatie’ noem brengen sommige filosofen in verband met het woord ‘waarheid’ (Griekse denkers, zoals bijvoorbeeld Plato; en Heidegger). Maar ook als de term ‘waarheid’ niet hiervoor gebruikt wordt, maar alleen voor beweringen die al dan niet waar kunnen zijn, naar de zaak genomen zijn we toch allereerst aangewezen op ‘openbaarwording van werkelijkheid’. Hoe minimaal en meerzinnig dan ook. Alleen al omdat ook beweringen pas daardoor ‘waar-gemaakt’, ‘geverifieerd’, ‘bewaarheid’ kunnen worden.
Heel de dag door zijn we bezig werkelijkheid te interpreteren, werkelijkheid te evalueren, emotioneel op werkelijkheid te reageren, werkelijkheid te manipuleren – vooronderstelt dit alles niet primair dat werkelijkheid zich kan manifesteren? Aan ons via de diverse manieren waarop werkelijkheid ons bewustzijn bereiken kan, zoals gewaarwordingen, waarnemingen (zintuiglijk, introspectief), meegevoel, welbegrepen ware beweringen, intellectueel inzicht. ‘Bewustzijn’ (vooral hoofdstuk I, IV en V) en ‘waarheid’ (hoofdstuk II en III) kunnen dan ook elk van beide dienen als trefwoord of ‘invalshoek’ naar de centrale thematiek van dit boek.
Filosofisch interesseren mij allerlei aspecten van wat bewustzijn genoemd kan worden, als samenvattende uitdrukking voor alle manieren waarop we iets merken van één of andere werkelijkheid (vergelijk het Engelse woord awareness). Mij intrigeert onder andere een merkwaardigheid die eigen is aan alle specifieke en eindige vormen van bewustzijn, maar die tot geen daarvan beperkt is. Ik bedoel de eigenaardigheid dat bewustzijn niet gelijk gesteld (wel in verband gebracht) kan worden met enig verschijnsel of ‘factor’ binnen onze ervaringswereld, aangezien het heel die wereld (en elke wereld waarmee we te maken kunnen krijgen) omvat en doordringt.
Wat bewustzijn verder nog allemaal wezen mag, het heeft in ieder geval óók de kwaliteit van een ruimte of openheid, waarbinnen personen, dingen en gebeurtenissen pas kunnen verschijnen of zich manifesteren. Deze notie van bewustzijn als ‘manifestatieruimte’ moet dan ook nadrukkelijk onderscheiden worden van kenmerken die juist aan binnen-ruimtelijke fenomenen kunnen worden toegeschreven, zoals gestalte, volume, onderlinge afstanden, lokaliseerbaarheid. Juist als ruimte is bewustzijn niet iets ruimtelijks.
Aan deze omschrijving van bewustzijn als ruimte die zus of zo ‘open gaat’ (bijvoorbeeld zich verbijzondert als eindig gezichtsveld, gehoorbereik, denkruimte, of ’tijdgeest’), moet minstens nog de component worden toegevoegd van zoiets als ‘zich openen voor’, toelaten, gelegenheid geven tot (manifestatie in die ruimte).
INHOUDSOPGAVE
Inleiding – Otto Duintjer en het Rondom: de ruimte voorbij alle opposities – Woei-Lien Chong
Onuitputtelijk is de waarheid – Otto Duintjer
Voorwoord
Hoofdstuk I – Iets over mijn ‘zoektocht’
Hoofdstuk II – Eros en ’transcendentie’ bij Plato
Hoofdstuk III – Over het primaat van waarheid (als ‘openbaarwordingsgebeuren’)
Hoofdstuk IV – Spiritualiteit: een optie voor humanisten?
Hoofdstuk V – Erkenning en bedenkingen bij Advaita Vedanta
Noten
Appendix (Perestrojka in het Westen?)


