Het belang van afzondering en de gevaren van de smartphone voor de geestelijke gezondheid – Digitaal minimalisme

BESTEL DIGITAAL MINIMALISME

Steeds meer mensen maken zich terecht zorgen over de negatieve invloed van de computer en met name de smartphone op onze concentratie, sociale relaties en tevredenheid. In het boek ‘Digitaal minimalisme, doelbewust omgaan met digitale overvloed’ uit 2019 bespreekt auteur Cal Newport mogelijkheden om je tijd online radicaal terug te brengen. Die is gebaseerd op het zeer doelbewust gebruiken van technologie  voor een beperkt en bewust gekozen activiteiten en doelen. Hieronder volgen gedeelten uit hoofdstuk 4 met de titel: Breng tijd in je eentje door. 

Veel mensen verwarren het begrip solitude of afzondering met fysiek afgescheiden zijn, waarvoor je misschien naar een afgelegen hut moet gaan, kilometers verwijderd van andere mensen. Isolement volgens deze gebrekkige definitie is om praktische redenen moeilijk met enige regelmaat te realiseren. Zoals Ketledge en Erwin uitleggen, draait afzondering niet om wat er in je omgeving gebeurt, maar om wat zich in je hersenen afspeelt. Ze definiëren het derhalve als een subjectieve gemoedstoestand waarin je geest vrij is van de inbreng van anderen. 

Je kunt afzondering ervaren in een drukke koffietent, de metro, of, zoals president Lincoln ontdekte, in een cottage terwijl je je gazon deelt met twee compagnieën soldaten, zolang je je alleen maar bezig hoeft te houden met je eigen gedachten. Aan de andere kant kan afzondering onmogelijk zijn in zelfs de rustigste omstandigheden als je toestaat dat je gedachten worden verstoord door de inbreng van anderen. Dat kan door directe gesprekken met anderen, maar ook door het lezen van een boek, het luisteren naar een podcast, tv-kijken of zo ongeveer elke activiteit die je aandacht naar een smartphonescherm trekt. Voor afzondering is het nodig dat je niet reageert op informatie die door anderen wordt voortgebracht en dat je volledig richt op je eigen gedachten en ervaringen – waar je op dat moment ook bent. 

Waarom is afzondering belangrijk? Kethledge en Erwin noemen veel voordelen, waarvan de meeste betrekking hebben op het inzicht en de emotionele balans die voortkomen uit rustige zelfreflectie. […] 

Erwin en Kethledge zijn natuurlijk niet de eersten die het belang van afzondering opmerken. De voordelen van afzondering worden al onderzocht sinds in elk geval de eerste jaren van de Verlichting. ‘Alle problemen van de mensheid komen voort uit het onvermogen van de mens om rustig alleen in een kamer te zitten,’ waren de beroemde woorden van Blaise Pascal aan het eind van de zeventiende eeuw. Een halve eeuw later en een werelddeel verderop besprak Benjamin Franklin het onderwerp in zijn logboek: ‘Ik heb zoveel moois gelezen over het onderwerp afzondering […] Ik zie afzondering als iets wat aangenaam verfrissend is voor de drukke geest.’

De academische wereld was laat met  het erkennen van het belang van tijd alleen doorbrengen met je eigen gedachten. In 1988 hielp de bekende Engelse psychiater Anthony Storr deze omissie recht te zetten met zijn succesvolle boek: ‘Solitude: A Return to the Self’. Zoals Starr opmerkte, was de psychoanalyse in de jaren tachtig van de vorige eeuw geobsedeerd geraakt door het belang van intieme relaties, die werden aangeduid als de belangrijkste bron van menselijk geluk. Maar Storrs onderzoek naar de geschiedenis van afzondering leek die hypothese niet te ondersteunen. Hij begint zijn boek uit 1988 met het volgende citaat van Edward Gibbon: ‘Conversatie verrijkt het inzicht, maar afzondering is de voedingsbodem voor genialiteit’. Waarna hij stoutmoedig schrijft: ‘Gibbon heeft ongetwijfeld gelijk.’

Edward Gibbon leidde een leven van afzondering, en hij produceerde niet alleen zeer invloedrijk werk, maar hij leek ook volkomen gelukkig te zijn. Storr merkt op dat de behoefte om een groot deel van hun tijd alleen door te brengen onder ‘de meeste dichters, romanschrijvers en componisten’ gebruikelijk was. Hij noemt Descartes, Newton, Locke, Pascal, Spinoza, Kant, Leibniz, Schopenhauer, Nietzsche, Kierkegaard en Wittgenstein als voorbeelden van mensen die nooit een gezin hadden of hechte persoonlijke relaties onderhielden, en er toch in slaagden een opmerkelijk leven te leiden. Storr concludeert dat we het mis hebben als we denken dat intieme interactie een absolute voorwaarde is voor menselijk functioneren. Afzondering kan net zo belangrijk zijn voor zowel geluk als productiviteit.

Het valt niet te ontkennen dat de lijst van Storr van mensen die opmerkelijke levens hebben geleid alleen uit mannen bestaat. Zoals Virginia Woolf al betoogde in haar feministische manifest ‘A Room of One’s Own’, is deze ongelijkheid niet verbazingwekkend. Woolf zou het met Storr eens zijn geweest dat afzondering een voorwaarde is voor oorspronkelijk en creatief denken, maar ze zou daaraan hebben toegevoegd dat vrouwen het recht op zowel de letterlijke als de figuurlijke ruimte die nodig was om een dergelijke toestand te ontwikkelen altijd systematisch was ontzegd. Voor Woolf is afzondering met andere woorden geen prettige afleiding, maar een vorm van bevrijding van cognitieve onderdrukking die resulteert in afzondering.

In de tijd van Woolf werd vrouwen deze bevrijding ontzegd door een patriarchale samenleving. In onze tijd is deze onderdrukking steeds vaker zelfopgelegd door onze voorkeur voor de afleiding van het digitale scherm. Dit is het thema dat is opgepakt door de Canadese maatschappijcriticus Michael Harris in zijn boek uit 2017, dat ook ‘Solitude’ heet. Harris is bang dat de nieuwe technologieën bijdragen aan een cultuur die de mogelijkheid om allen te zijn met je gedachten ondermijnt, waarbij hij opmerkt dat ‘het enorme gevolgen heeft als die mogelijkheid onder vuur ligt’. Zijn overzicht van relevante literatuur wijst vervolgens op drie cruciale voordelen van afzondering: ‘nieuwe ideeën, zelfinzicht en nabijheid tot anderen’.

We hebben de eerste twee voordelen uit dit lijstje al besproken, maar het derde ligt misschien minder voor de hand en is daarom de moeite waard om kort te bespreken – vooral als je ziet hoe relevant het wordt als we later de spanning tussen afzondering en de voordelen van verbondenheid onderzoeken. 

Harris stelt, en dat gaat misschein tegen je gevoel in, dat ‘het vermogen om alleen te zijn […] absoluut geen afwijzing betekent van nauwe banden’, maar deze juist kan bekrachtigen. Als je afzondering in kalmte kunt ervaren, stelt hij, groeit je waardering voor intermenselijk contact wanneer dat zich voordoet. Harris is niet de eerste die dit zegt. […]

Talrijke voorbeelden wijzen op een heldere conclusie: regelmatige perioden van afzondering, in combinatie met onze standaardmodus van sociaal gedrag, zijn nodig om als mens te floreren. Het is nu urgenter dan ooit dat we dit erkennen, want zoals ik in het vervolg van dit hoofdstuk zal betogen, begint afzondering voor het eerst in de menselijke geschiedenis nu helemaal te verdwijnen. […]

Afzonderingstekort

Afzonderingstekort is een toestand waarin je vrijwel geen tijd alleen met je gedachten doorbrengt, vrij van de inbreng van anderen. […] De belangrijkste vraag is natuurlijk of we ons zorgen moeten maken om de verspreiding van het afzonderingstekort. Als je het abstract benadert, ligt het antwoord niet direct voor de hand. Het idee ‘alleen’ te zijn kan weinig aantrekkelijk lijken, en we zijn de afgelopen twintig jaar gebombardeerd met het idee dat meer verbondenheid beter is. Rond de aankondiging van de beursgang van zijn bedrijf in 2012 schreef Mark Zuckerberg bijvoorbeeld triomfantelijk: ‘Facebook […] is gemaakt om een sociale missie te volbrengen – de wereld opener en meer verbonden te maken.’

Deze obsessie met verbonden zijn is duidelijk overdreven optimistisch, en het is gemakkelijk om niet te zwaar aan deze grootse ambtie te tillen, maar waneer je afzonderingstekort ziet in de context van de ideeën die we eerder in dit hoofdstuk hebben besproken, is deze prioriteitsstelling van communicatie boven reflectie reden tot ernstige zorg. Om maar iets te noemen: als je afzondering vermijdt, mis je de positieve dingen die het oplevert, zoals het vermogen om lastige problemen te duiden, morele moed te ontwikkelen, en relaties te versterken. Als je aan een chronisch afzonderingstekort lijdt, neemt je kwaliteit van leven daarom af. 

Het verdwijnen van afzondering brengt bovendien ook andere negatieve gevolgen mee die we nu pas beginnen te begrijpen. Een goede manier om de gevolgen van bepaald gedrag te begrijpen is door een bevolkingsgroep te bestuderen die het gedrag tot het uiterste doorvoert. Als het gaat om voortdurende verbinding, worden deze problemen al snel zichtbaar onder jonge mensen geboren na 1995 – de eerste mensen die in hun vroege tienerjaren zijn begonnen met toegang tot smartphones, tablets en non-stop internetverbinding. Zoals de meeste ouders en opvoeders van kinderen van deze generatie zullen beamen, gebruiken ze hun apparatuur constant (de benaming ‘constant’ is geen overdrijving: uit een onderzoek uit 2015 van Common Sense Media bleek dat tieners gemiddeld negen uur per dag media gebruikten, inclusief tekstberichten en sociale netwerken). […] Als non-stop afzonderingstekort problemen veroorzaakt, moeten we die hier als eerste kunnen waarnemen. En dat is precies wat we deden. 

Mijn eeste aanwijzing dat deze hyperverbonden generatie het moeilijk had, kreeg ik een paar jaar voordat ik dit boek begon te schrijven. Ik sprak met het hoofd geestelijke gezondheidszorg aan een bekende universiteit waar ik was uitgenodigd een lezing te houden. Deze bestuurder vertelde me dat ze grote verschuivingen begon te zien in de geestelijke gezondheid van studenten. Tot kort daarvoor zag het centrum voor geestelijke gezondheidszorg op de campus decennialang dezelfde mix van puberteitsproblemen heimwee, eetstoornissen, een enkele depressie en zo nu en dan een dwangstoornis. 

En toen veranderde alles. Schijnbaar van de ene dag op de andere steeg het aantal studenten dat psychische begeleiding zocht enorm, en de standaardmix van puberteitsproblemen werd gedomineerd door iets wat relatief zeldzaam was: angststoornissen. Ze vertelde me dat iedereen plotseling last leek te hebben van angsten of angstgerelateerde stoornissen. Toen ik haar vroeg waar die verandering volgens haar vandaan kwam, antwoordde ze zonder aarzelen dat het waarschijnlijk te maken had met smartphonegebruik. De plotselinge toename van angstgerelateerde problemen viel samen met de eerste lichting studenten die was grootgebracht met smartphones en sociale media. Het viel haar op dat deze studenten voortdurend en koortsachtig boodschappen verzonden en verwerkten. Het leek duidelijk dat deze non-stop communicatie op de een of andere manier van invloed was op de hersenchemie van de studenten. 

Een paar jaar later werd de intuïtie van deze bestuurder bevestigd door psycholog Jean Twenge van San diego State University, een van de meest vooraanstaander deskundigen op het gebied van generatieverschillen in de VS. Zoals Twenge opmerkt in een artikel uit september 2017 in the Atlantic, bestudeert ze deze trends al meer dan 25 jaar, en ze ontstaan en groeien altijd geleidelijk. Maar sinds ongeveer 2012 nam ze een verschuiving waar in de metingen van de emotinele toestand van tieners die absoluut niet geleidelijk was:

‘De glooiende lijnen in de grafieken [die weergeven hoe gedragskenmerken veranderen per geboortejaar] veranderden in steile bergen en scherpe kliffen., en veel onderscheidende kenmerken van de generatie millennials begonnen te verdwijnen. In al mijn analyses van data per generatie – waarvan sommige teruggaan tot de jaren dertig van de twintigste eeuw – had ik nooit eerder zoiets gezien.’  

Jonge mensen geboren tussen 1995 en 2012, een groep die Twenge de ‘iGen’ noemt, liet opmerkelijke verschillen zien in vergelijking met de millenials, die hen voorgingen. Een van de grootste en meest verontrustende veranderingen was de geestelijke gezondheid van de iGen. ‘De cijfers voor depressie en suïcide onder tieners schoten omhoog’, schrijft Twenge, waarbij veel van die cijfers het gevolg leken te zijn van een toename van het aantal angststoornissen. ‘Ik overdrijf niet als ik zeg dat de iGen aan de vooravond staat van de ernstigste crisis op het gebied van geestelijke gezondheid in tientallen jaren.’

Wat heeft deze veranderingen in gang gezet? Twenge onderschrijft de intuïtie van de universiteitsbestuurder voor geestelijke gezondheidszorg toen zij opmerkte dat deze veranderingen in de geestelijke gezondheid ‘precies’ overeenkwamen met het moment waarop het bezit van smartphones in de VS gewoon werd. Het gemeenschappelijke kenmerk van de iGen, zo legt ze uit, is dat ze zijn opgegroeid met iPhones en social media, en zich de tijd vóór de non-stop toegang tot internet niet kunnen herinneren. Ze betalen de prijs voor deze ontwikkeling met hun geestelijke gezondheid. ‘Veel van deze verslechtering kan worden teruggevoerd op hun telefoons,’ concludeert Twenge.

Toen journalist Benoit Denizet-Lewis deze  epidemie aan angststoornissen onder toeners onderzocht in the New yourk times Magazine, ontdekte hij ook dat de smartphone steeds terugkwam als aanhoudend signaal in de ruis van plausibele hypothesen. ‘Ook voor Instagram waren er angstige kinderen,’ schrijft hij, ‘maar veel van de ouders die ik sprak, waren bang dat de digitale gerwoonten van hun kinderen – vierentwintig uur per dag reageren op tekstberichten, posten op social media, obsessief gefilterde bezigheden van leeftijdgenoten volgden – ten dele oorzaak waren van de worstelingen van hun kinderen.’

Denizet-Lewis veronderstelde dat de tieners zelf deze theorie van de hand zouden wijzen als standaard ouderlijk gemopper, maar dat was niet het geval. ‘Tot mij verbazing bleken angstige kinderen het hiermee eens te zijn.’ Een student die hij interviewde in een instelling waar hij verbleef voor de behandeling van angststoornissen, zei het als volgt: ‘Sociale media zijn een hulpmiddel, maar we kunnen niet meer zonder ze en worden gek van ze.’

Als onderdeel van zijn reportage interviewde Denizet-Lewis ook Jean Twenge, die duidelijk stelde dat het niet haar bedoeling was geweest om de smartphone de schuld te geven: ‘het leek een te gemakkelijke verklaring voor negatieve geestelijke-gezondheidsresultaten bij tieners,’ maar het bleek de enige verklaring te zijn die past in het tijdsgewricht. Veel potentiële valkuilen, van stressvolle gebeurtenissen tot hogere studiedruk, bestonden ook al vóór de piek in de angststoornissen die rond 2011 begon. De enige factor die dramatisch is toegenomen rond die tijd, is het aantal jonge mensen dat een smartphone had. 

‘Het gebruik van social media en smartphones lijkt schuldig te zijn aan de toename van geestelijke-gezondheidsprobelemen onder tieners,’ vertelt ze Denizet-Lewis. ‘Het is genoeg voor een sterke verdenking – en naarmate we meer data krijgen, kan het ook genoeg zijn voor een veroordeling.’ Om de urgentie van dit onderzoek te benadrukken gaf Tenge haar artikel in The Atlantic een titel met een nogal directe vraag: ‘Hebben smartphones een generatie vernietigd?’

De situatie van de iGen vormt een sterke indicatie voor het gevaar van afzonderingstekort. Toen een hele groep onbedoeld de tijd om alleen te zijn met hun gedachten opofferde, leed hun geestelijke gezondheid daar dramatisch onder. Als je erover nadenkt, is dat niet zo gek. Deze tieners zijn het vermogen kwijt om hun emoties te duiden, of te reflecteren op wie ze zijn en wat er echt toe doet, of sterke relaties op te bouwen, of zelfs alleen maar hun hersenen de tijd te geven om hun cruciale sociale circuits uit te schakelen, die nu eenmaal niet bedoeld zijn om voortdurend te worden gebruikt, en hun energie om te leiden naar andere belangrijke cognitieve onderhoudstaken. Het hoeft niemand te verbazen dat deze verliezen tot storingen leiden. 

De meeste volwassenen komen niet in de buurt van de voortdurende verbondenheid van de leden van de iGen, maar als je deze gevolgen extrapoleert naar de mildere vormen van afzonderingstekort die gebruikelijk zijn geworden onder allerlei verschillende leeftijdsgroepen, zijn de resultaten nog altijd zorgelijk. 

Zoals ik te weten ben gekomen uit contacten met mijn lezers , zijn velen een achtergrondruis van onrust in hun dagelijkseleven gewoon gaan vinden. Wanneer ze op zoek gaan naar een verklaring, zieken ze die misschien bij de laatste crisis – de recessie van 2009 of de ruzieachtige verkiezingen van 2016 – of ze wijten het aan een normale reactie op de stress van het volwassen bestaan.

Maar als je eenmaal de positieve effecten van alleen zijn met je eigen gedachten hebt ervaren, en de verontrustende gevolgen ziet in populaties die hier volledig afstand van doen, dringt er zich een gemakkelijkere verklaring op: we hebben afzondering nodig om goed te kunnen functioneren als mens, en de afgelopen jaren hebben we, zonder het te beseffen, dit cruciale onderdeel systematisch uit ons leven weggepoetst. Simpel gezegd: de mens is niet gemaakt om voortdurend aan te staan.  

Bron: Digitaal minimalisme van Cal Newport

BESTEL DIGITAAL MINIMALISME

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *