Drie sluimerende vermogens die gewekt moeten worden: goddelijke wil, wijsheid en werkzaamheid

Drie sluimerende vermogens moeten zich in het leven van de leerling openbaren: het vermogen tot een nieuwe wil, het vermogen tot een nieuwe wijsheid, en het vermogen tot een nieuwe werkzaamheid.

De mens heeft een wil, doch deze is bandeloos terzake van het ene en experimenteel of speculatief terzake van het andere. De uitkomst van een wilsinspanning staat nooit van te voren vast en mocht dat in enige zaak het geval zijn, dan tast men in het duister met betrekking tot de eventuele nevenverschijnselen of de gevolgen van de gewekte weerstand.

Daarom is de mens alleen reeds door zijn wilsleven omringd met zorg en angst. De menselijk wil is dan ook nimmer bevrijdend. Bovendien is de wil bloedsgebonden, dat wil zeggen, afhankelijk van de mogelijkheden en krachten die in het bloed aanwezig zijn.

De mens heeft ook de beschikking over een zekere wijsheid, hier te begrijpen als intellectueel vermogen, verstandelijke hersencapaciteit. De leerling zal inzien dat de mens ook wat dit vermogen betreft geheel afhankelijk is van de uiterlijke, dus zichtbare, driedimensionale dingen. Niet voor niets zegt de Bijbel: ‘De wijsheid van de mensen is dwaasheid bij God’.

Absolute kennis kan nimmer bezit worden van een uit de zinnen levende mens. Datgene wat men wijsheid noemt, is een vorm van beschouwing, aangeleerd door zintuiglijke waarneming en sterk beïnvloed en verminkt door opvoeding en bloedstoestand.

De mensheid ontplooit eveneens een zekere werkzaamheid. Is het resultaat van deze arbeid niet buitengewoon bedroevend? Is het veel meer dan activiteit om ‘brood en spelen’? De werkzaamheid van de mens staat geheel in het teken van de strijd om het bestaan, met nog wat tijdverdrijf en wat geestelijke romantiek, al naar zijn aard.

De drieheid van wil, wijsheid en werkzaamheid, zoals deze in de aardse natuur tot ontwikkeling komt, is voorts gebonden aan een laaiende natuurdrift, die men aanduidt als begeren. Dezelfde drieheid, gebonden door het begeren of de natuurdrift, is eveneens verantwoordelijk voor het tot stand komen van het biologische bewustzijn, het ik-bewustzijn, en de meest kenmerkende eigenschap daarvan is: zelfhandhaving.

De zelfhandhaving en het begeren zijn uitermate speculatief en buitengewoon grillig in hun doen en laten. Als mensen door bepaalde ervaringen ontgoocheld zijn, springen zij van het ene object naar het andere, en in hun nood dansen zij hun natuurdansen met hypothesen en andere schijngestalten. Verreweg de meeste godsdienstige drang is uit de ervaring van zelfhandhaving en begeren te verklaren.

Als de leerling deze toestand helder zou inzien, zou hij de noodzakelijkheid gevoelen van een fundamentele omkering. Hij zou walgen van zijn tegenwoordige toestand en als gevolg daarvan zou hij trachten zijn begeren en zelfhandhaving te neutraliseren.

De vraag mag hier worden gesteld, hoe zo’n neutralisatieproces zich dan zou moeten ontwikkelen. Het antwoord luidt: de leerling moet zijn oude leven niet meer willen, de door hem verzamelde schijnwijsheid prijsgeven, en zich aan het dramatische spel van begeren en zelfhandhaving onttrekken.

Sommige mensen zijn in staat de fundamentele omkering gemakkelijk door te voeren voor zover het de zeer gebroken realiteit van godsdienst, kunst en wetenschap betreft. Zij kunnen het speculatieve van de godsdienstige hypothesen inzien, het niet-bevrijdende van dat wat men kunst noemt, en het hopeloze en satanische van de wetenschap.

Doch oneindig veel zwaarder is het, zich fundamenteel los te maken van zijn diverse natuurinstincten, daar de mens ‘uit de natuur’ en ‘van de natuur’ is. De natuurinstincten kunnen een mens veel meer aan het oude leven binden dan godsdienst, kunst en wetenschap. De fundamentele omkering moet dan ook diep ingrijpen in alle menselijke natuurinstincten. De leerling moet de strijd aanbinden met zichzelf, een strijd op leven en dood.

De fundamentele omkering is basis voor het wekken van de drie vermogens die door de geestesschool worden bedoeld. Ten eerste een nieuwe wil, die in God ontstoken wordt; ten tweede een nieuwe wijsheid, die het Godsplan doorlicht; ten derde een nieuwe werkzaamheid, die het mede tot verwerkelijking stuwt.

De nieuwe wil wordt door de geestesschool in de leerling ontstoken door middel van de geestwet; de nieuwe wijsheid door de filosofie van de geestwet; de nieuwe werkzaamheid door de toepassing van de geestwet.

De geestwet is de goddelijke idee, die aan wereld en mensheid ten grondslag ligt.

De filosofie van de geestwet draagt deze goddelijke idee tot de leerling over; zij doet haar lichten voor zijn verstand; zij doet hem zijn mateloze verwijdering schouwen van het oorspronkelijke Vaderland, zij doet hem de menselijke verwording ten opzichte van de goddelijke idee begrijpen, en schenkt hem een klare visie op de weg terug.

De toepassing van de geestwet is de verwerkelijking van de goddelijke idee, de harde en onverbiddelijke weg terug; de verbreking van de aardse natuur en haar driften en het bouwen van de nieuwe mens.

De geestwet kan ook worden aangeduid als: God, van wie wij verbroken zijn; de filosofie van de geestwet als: Christus, die in oneindige liefde van God uitgaat om te redden, zich omwille van ons neerbuigt tot het gevallene en zich daartoe gevangen geeft aan de stof; de toepassing van de geestwet als: de Heilige Geest, die het gehele wedergeboorteproces toepast, uitvoert en doorzet.

Bron: Elementaire wijsbegeerte van Jan van Rijckenborgh

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *