Het rad van fortuin of levenswiel– arcanum 10 van de hermetische tarot – Egyptische mysteriën

De tiende dag sprak de hogepriester aldus:

‘Het symbool waar je vandaag voor staat wordt het rad van fortuin genoemd. Het stelt de grote omwenteling van de dingen voor. Wat en wie vandaag leeft is morgen dood, wie vandaag sterft leeft morgen. Wie vandaag rijk is, is morgen arm en omgekeerd. Zie je de fladderende linten aan het rad? Zij illustreren de razende snelheid waarmee het rad van fortuin door de tijdperken en eeuwigheid rolt. Duizenden jaren gaan als in een dag voorbij. 

De sfinx, die rustig en raadselachtig hoog boven het rad van fortuin in de wolken troont, zegt ons dat in hogere sferen voor ons nu nog raadselachtige wezens ons lot gadeslaan en besturen. De geheimzinnige tekens op het rad van fortuin zelf duiden erop dat er in ons leven veel is dat we nú nog niet begrijpen kunnen, maar waarvan de betekenis ons in de schoot zal vallen zodra wij de benodigde kracht en rijpheid verworven hebben. Dan zullen wij met volledige beheersing van wat is en was die sferen bezoeken kunnen, waarin we gedurende de periode tussen sterven en wedergeboorte, rustend en werkend, genietend of treurend en lijdend, verwijlen. Maar omdat je nog in een fase van onvolkomenheid verkeert, zul je het beleefde en gezien niet kunnen herinneren.

Bezie de sfinx. Zij openbaart ons het wezen van diegenen die het rad van fortuin besturen en toont je tevens de eigenschappen die je in jezelf dient te cultiveren. Ze bestaat, net als jij, uit vier delen. Want weten, willen en kunnen, wagen en zwijgen zijn de eeuwigheidsvonken in het wezen van de mensen. 

Weten en willen, beslissen en in stilte verder zien te komen zijn de eigenschappen die ook de goden drijven en die door oefening hun tweede natuur zijn geworden. Het menselijk hoofd van de sfinx zegt ons: weten. De leiders van het lot van de volkeren en individuen weten wat hun doel is. ook wij willen weten. 

Uit twee bronnen putten wij mensen onze kennis. Ten eerste uit boeken en uit mondeling onderricht door hen die meer weten dan wij, en ten tweede uit stemmen die uit andere sferen tot ons doorklinken, hetzij als gedachten of invallen die bij het mediteren in ons opkomen, hetzij door directe mededelingen van onze leiders. 

Het stierenlichaam van de sfinx zegt ons: werken, doen, kunnen, kracht. Waar willen heerst, is kracht. Onze wil is de bron van onze kracht. Daarom moeten we niet alleen onze wil harden, maar ons er tegelijkertijd voor hoeden niet onder invloed van de wil van een ander te geraken; we zouden de bron van onze kracht verliezen, en daarmee het sterkste bestanddeel van onze persoonlijkheid. 

Het stierenlichaam van de sfinx zegt ons ook: wil en kracht. De leiders van de mensheid beschikken niet alleen over inzicht en wijsheid, maar ook over de wil en de kracht om de mensheid tot de hoogste toppen te voeren. Ze volgen en volbrengen hun wil, zonder ophouden en zijn uitverkoren het hoogste, het mooiste en beste in ons te activeren en te verwerkelijken. 

De leeuwenklauwen van de sfinx zeggen: toeslaan, durven, vasthouden. Wanneer het nodig is, grijpen de leiders zonder meer in. Wij moeten echter, als we de noodzaak van een stap inzien en deze willen nemen, ook nog durven hem te zetten. 

De adelaarsvleugels zijn een symbool voor het omhoog stijgen van de geesten. Goden en mensen zweven, omhoog cirkelend op weg naar volmaaktheid, naar steeds zuiverder en spirituele gebieden; het goede voor ogen en over hun ervaringen en geschouwde schoonheid zwijgend. 

Dan zie je nog twee gedaanten op het rad zitten. Links de goede god Hermanibus – de hondekop beduidt trouw – en rechts Typhon, de kwade god, de gevleugelde slang. Hermanibus beweegt zich met het rad in opwaartse, Typhon in neerwaartse richting. In de positie van beide goden die het goede en het kwade voorstlelen, ligt de grootste waarde besloten: het goed leidt altijd omhoog – naar de volmaaktheid -, het kwade voert altijd omlaag, naar innerlijke en ook uiterlijke verdorvenheid, om te eindigen in ondergang. 

Het moment waarop alles zichtbaar wordt breekt dikwijls pas later, na het sterven van de mens, door. Doch de openbaring van datgene wat wij zijn, is onafwendbaar. Daarom, oh pelgrim op weg naar het licht, heb lief, zoek en beoefen het goede en haat, vermijd het kwade en laat het na. Je weeft met goedheid gouden draden in het gewaad dat je eens dragen zult. Laat je niet bedriegen door de bevrediging die het kwaad voor een moment verschaft. Je vertraagt daarmee je eigen evolutie en die van ons allen.  Ga nu heen en kom vanavond na zonsondergang in het heiligdom: het uur van je geestelijke inwijding nadert. 

De jonge priester bracht de dag mediterend en vastend door. Hij smeekte om de wijsheid altijd het juiste te kunnen kiezen, om de kracht steeds het goede te doen en het kwade te mijden. Geknield lag hij urenlang in aanbidding voor de hoogste God, van wiens zijn en wezen hij iets besefte, de kern slechts in eerbied kon vermoeden. Hij zat in meditatie verzonden in de voorgeschreven houding, rechtop, de handen op de knieën. Ze zon ging onder en hulde het zand van de woestijn in een waas van purper en goud. 

Toen het avond geworden was verliet de jonge priester de tuin. De palmen reikten tot diep in de ondoordringbare duisternis. Het water in de vijvers glansde nauwelijks. Er heerste een wereld van schaduw en geheim. In het heiligdom ontving de hogepriester hem. Het leek als stond naast hem een slanke wolkenzuil. Kon dit optisch bedrog zijn?

Zwijgend begeleidde de hogepriester hem door de hoge galerijen. Reusachtige zuilen waarvan de kapitelen het heilige symbool van de lotusbloem uitbeeldden, steunden de balken die in de hoogte in het donker verdwenen. In een klein gewelfd heiligdom, achter een altaar, stond een rustbed. 

‘Ga liggen.’
Zwijgend sterkte de jonge priester zich uit. De hogepriester hief zijn rechterhand op en gebood: ‘Slaap!’
Hoewel de jonge priester zijn bewustzijn niet geheel verloor, voelde hij toch hoe zijn zinnen hem verlieten en hij in een soort van duizeligheid geraakt die het midden hield tussen waken en dromen. Hij zag wolken en fijne, ragdunne sluiergestalten om zich heen. Hij zag de hogepriester en naast hem rustig, eerbiedwaardig en stralend zijn begeleider. Het gevoel van duizeligheid werd sterker en hij vernam de woorden van zijn leider: ‘Het rad van fortuin draait eeuwig.’ Hij zag deze woorden meer dan dat hij ze hoorde.

De duizelingen kwamen sneller en sneller en plotseling had hij het gevoel dat er iets in hem spleet. Een deel van hem bleef op het rustbed liggen, dat deel wat ademde, en een ander deel zweefde boven zijn lichaam uit dat op het bed rustte. Dit was het gedeelte dat dacht, maar ook zag, hoorde en voelde – overal – tegelijkertijd.  

Het was een heel bijzondere sensatie, die hem deed denken dat hij één en al gezicht, gehoor, gevoel was. Ook moest hij tot zijn verbazing vaststellen dat hij niet datgene was wat op het rustbed lag, maar iets anders dat in dat omhulsel huisde, en hij bemerkte met verwondering dat hij nu het innerlijk van anderen kon zien. Het scheen hem toe als keek hij dwars door de hogepriester en zijn begeleider heen, die nu op hem toezweefden. 

De hogepriester spreidde zijn mantel over het schijnbaar levenloos neerliggende lichaam van de jonge priester, aan wie het voorkwam als nam zijn begeleider hem nu bij de hand, en hij met deze omhoogsteeg. Tot zijn verbazing vormde het dakgewelf van het heiligdom geen enkele belemmering. Zoals een vogel door de wolken klieft, doorkliefde hij het plafond. Dit was geheel nieuw voor hem. Toen zag hij zijn begeleider spreken:

‘Je lichaam blijft in het heiligdom achter onder de mantel van de hogepriester opdat er geen onreine geesten bezit van kunnen nemen, want er zijn veel geesten die ronddolen en een lichaam zoeken. Zij hangen aan het stoffelijke en streven niet naar de velden van vrede. Dikwijls nemen deze gekwelden bezit van lichamen van dieren of van mensen die men moet zien als vestingen met vervallen muren, die door uitspattingen of ziekte hun weerstand en zelfbeheersing verloren hebben…’

Zij zweefden hoger. De stad lag ver onder hen. De heilige rivier glansde als een breed zilveren lint. De jonge priester dacht aan zijn stille kamer in de tuin bij de tempel en bemerkte hoe er als het ware van beneden aan hem werd getrokken vanaf het moment dat het verlangen naar zijn kamer in hem was opgekomen. En wanneer zijn begeleider hem niet tegen had gehouden, zou hij zich zeker naar zijn huis hebben teruggespoed. 

‘Je moet hier nog meer dan in de zichtbare wereld je gedachten en je wil beheersen. Want gedachten zijn vormen die wij baren en wil is de kracht die ons voortstuwt. Kijk maar om.’ De jonge priester deed als gezegd en werd een eindeloze schaar van nevelige schimmen gewaar, variërend in vorm en kleur, die hem volgde waar hij maar ging. Hij voelde zich net een komeet met een eindeloze staart. Je ziet hoe verstandig je leraren waren, toen ze je onderwezen op je gedachten en gevoelens te letten. Je ziet hoe de gedachten die aan je brein ontsproten hun geestelijke vader volgen.’

‘Wie zijn eigenlijk die enkelingen die boven en naast ons zweven?’
Dat zijn geesten,’ zei de begeleider.
‘Hoe kan ik weten of ik een geest of een gedachte voor me heb?’
Spreek de verschijning aan. Is het een geest dan zal hij je antwoord geven, want hij is een persoonlijkheid. Is het echter een gedachtevorm dan zul je geen antwoord krijgen, want die heeft geen geest, maar leidt een soort plantenleven en heeft slechts de neiging zijn schepper te volgen. Maar nu een vraag, zou je het leuk vinden het huis van je ouders te zien?’
‘Natuurlijk,’
‘Goed dan.’

De jonge priester richtte zijn wil op het huis van zijn ouders en met de snelheid van de bliksem stond hij ervoor. Hij wilde naar binnen en drong zonder enige moeilijkheid door de muren de slaapkamer binnen. Hij zag zijn ouders slapen, maar hun lichamen kwamen hem leeg voor. ‘Ze zijn niet hier,’ verklaarde de begeleider hem, ‘ze zijn elders, in het rijk van de dromen. Slechts hun omhulsel ligt daar te rusten.’
‘Vooruit, laten we weer omhoog gaan.’
Door hun wil gedragen zweefden de jonge priester en zijn begeleider weer naar boven.

‘Je ziet dat het de wil is die ons stuurt en draagt. Je leraren deden er goed aan je oefeningen ter versterking van je wilskracht op te leggen, want willoze geesten dolen in de dampkring van de aarde, niet bij machte zich tot hogere niveaus op te werken. Wij kunnen echter wel omhoog! Volg mij!’

Ze volgen razendsnel verder, langs aan hun rechterzijde wassende maan. Met grote belangstelling onderscheidde de jonge priester de wonderlijke, reusachtige bergkraters op de grote, hel door de zon beschenen schijf. ‘Een “dood” hemellichaam,’ verklaarde de begeleider hen, ‘dat door de aarde werd uitgestoten, daar waar nu de Middellandse Zee glanzend golft. Houd je hier niet te lang op, wij hebben nog een lange weg te gaan. 

Een ster die als een reusachtige smaragd schitterde, rees snel voor hen op, omgeven door mat glanzende dampkringen en groenige nevelslierten. Ze vlogen er zo dicht aan voorbij dat de jonge priester zeeën en continenten, meren en bergen kon waarnemen. 

‘Hoe komt het dat ik alleen de sterren zie en niet de bewoners?’ vroeg de jonge priester.
Je kunt de dampkring van een andere planeet nog niet betreden, dat komt later wel. Ook is je gezichtsvermogen nog beperkt, maar dat zal spoedig bijtrekken.’

Ze vlogen verder en lieten de als een smaragd glanzende ster snel achter zich. Een geweldige blauwgloeiende kogel waaromheen een roze, een gele een groene en een roodlichtende maan cirkelden, lag voor hen. De kleurenpracht was zo overweldigend dat de jonge priester er dichter naar toe wilde gaan, doch zijn begeleider weerhield hem. ‘Hoger, nog hoger,’ zei hij ‘…kijk!’

Het leek alsof de jonge priester de schellen van zijn ogen vielen en hij zag ontelbare geesten, die eveneens omhoog zweefden. Ze straalden en schitterden in een veelvoud van kleuren, de meeste van hen waren omgeven door wit licht, dat bij tijd en wijle opaliseerde. Zij allen tezamen vlogen de zon tegemoet, die steeds groter en indrukwekkender werd. Badend in een zee van licht voelde hij hoe een intense blijdschap hem, sidderend van spanning, omgaf. 

‘Wat is het voor een samenkomst, waar al deze prachtige geesten zich naartoe spoeden?’ vroeg de jonge priester.
‘Het zijn gereinigde, gelouterde, gerijpte geesten die zich hier in vervoering verenigen.’
In het midden van een eindeloze vlakte straalde een voor de jonge priester haast onverdraaglijk licht, dat alle geesten onweerstaanbaar scheen aan te trekken.
‘Waar scharen deze uitverkorenen zich eigenlijk omheen?’
‘Om een hoge intelligentie die de loop van de zon en zijn planeten bestuurt en over hun ontwikkeling waakt.’
Het is dus niet de troon van de Allerhoogste, onuitspreekbare?’
Nee, van hem zijn we nog ver verwijderd.’
‘Zullen we….’
‘Vraag niet … kijk, hoor.’

In eindeloze rijen bewogen de stralende geesten zich naar het licht toe; de glans die ze uitstraalden smolt met hun ritmisch gezang samen tot een gave, heerlijke harmonie. Ook de jonge priester kon zich niet inhouden, de extase van de anderen sleepte hem mee en buiten zichzelf loofde hij God, wiens dienaar te zijn een heerlijkheid is.

Toen sprak zijn begeleider: ‘Hier looft de neofiet zijn God en kan geen mens een ander kwaad toewensen of berokkenen.’
De jonge priester wilde dichter op het licht toegaan, maar zijn begeleider hield hem tegen.
‘Je zou het niet kunnen verdragen,’ zei hij.

Daarop zweefden zij door het eindeloze heelal met de snelheid van de bliksem naar de aarde terug. Het kwam de jonge priester voor alsof zijn ogen werden afgeschermd.
‘Waarom gebeurt dit?’ vroeg hij.
‘Omdat je vandaag niet veel afschrikwekkends en treurigs mag zien. Dat zul je vroeg genoeg leren kennen.’

De jonge priester kwam tot zichzelf, het leek hem alsof hij met een ruk in zijn lichaam terugkwam, dat zo rustig onder de mantel van de hogepriester was blijven liggen. Hij ontwaakte. Gedroomd had hij niet, dat wist hij zeker. Iets groots en wonderbaarlijks had hij meegemaakt, iets dat hij nooit meer zou kunnen vergeten.

Bron: Egyptische Mysteriën, Inwijding in de Esoterische Tarot door Woldemar von Uxkull