Zijn, denken, doen – Maarten van Buuren over Spinoza’s weg naar geluk

BESTEL ZIJN, DENKEN, DOEN

Maarten van Buuren geeft in ‘Zijn, denken, doen’ een heldere en toegankelijke inleiding op het werk van Spinoza, in het bijzonder op zijn levenswerk, de Ethica. Spinoza vatte de filosofie, in navolging van de stoa, op als drie opeenvolgende, met elkaar samenhangende vragen: Wat is Zijn (zijnsleer)? Wat is Denken (kenleer)? Wat is Doen (ethiek)? Hij leidde zijn ethiek af uit oefeningen in kenleer en zijnsleer. In alle drie fasen (zijnsleer, kenleer, ethiek) staat de rede centraal. Wie zich in denken en handelen laat leiden door de rede, bevrijdt zich uit slavernij en verwerft het geluk.

INLEIDING

Spinoza Dissident 

Spinoza werd op 24 november 1632 geboren als derde van vijf kinderen. Hij werd onder de naam Baruch (de gezegende) d’Espinoza (of Despinoza) ingeschreven in het geboorteregister van de joodse gemeente van Amsterdam. In het dagelijks leven werd hij Bento genoemd. Na zijn verbanning uit de synagoge veranderde hij zijn voornaam in Benedictus, de Latijnse versie van Baruch. Hij gebruikte zijn joodse voornaam Baruch nooit.

Spinoza’s vader Michael behoorde tot de eerste generatie Sefardische joden die zich aan het eind van de 16e eeuw in Amsterdam hadden gevestigd. De van oorsprong Spaanse joden, die zich onder druk van de jodenvervolging tot het christendom hadden bekeerd, werden ‘marranos’ genoemd: joden die in het openbaar het christendom beleden, maar in het geheim het joodse geloof trouw waren gebleven. In de loop van de tijd raakten de marranos het contact met de joodse rituelen en gebruiken kwijt. Hun geloof verwaterde zonder dat ze het merkten.

Aan het eind van de 15e eeuw werd de vervolging in Spanje verhevigd. Spaanse joden weken en masse uit naar Portugal. Maar ook daar waren ze niet veilig. Koning Manuel van Portugal gaf bevel de joden uit Portugal te verbannen. In de tweede helft van de 16e eeuw vluchtte de familie Despinoza naar het buitenland, eerst naar Nantes en vandaar (mogelijk via Hamburg) naar Amsterdam. Ze vestigden zich op Vlooienburg, een polder aan de oever van de Amstel die aan het eind van de 16e eeuw was drooggelegd, aan alle kanten door water was omgeven en zijn naam ontleende aan de drassige bodem en de wateroverlast (Vlooienburg is afgeleid van ‘vloed’). Ze legden het verfoeide katholieke geloof af en keerden terug naar het geloof van hun vaderen, maar dat was moeilijker dan ze dachten. Ze hadden het katholieke geloof zo lang in het openbaar moeten belijden en waren de joodse eredienst zozeer ontwend dat herstel van de joodse orthodoxie heel veel voeten in de aarde had. Bovendien: Wat was orthodox?

Die vraag leidde tot haarkloverijen tussen rabbi’s en uiteindelijk tot kerkscheuringen. De eerste Amsterdamse synagoge die rond 1600 werd gesticht, viel na een hevige ruzie over ritueel slachten in 1619 uiteen in drie synagogen. De heel kleine Sefardische gemeenschap (naar schatting zo’n honderd gezinnen) raakte verdeeld over drie kapellen, elk met een eigen gebouw. Pas in 1639 werden de drie synagogen weer herenigd.

De joodse gemeenschap handhaafde de orthodoxie met harde hand. Ze deed dat des te harder, omdat de synagoge symbool en bindmiddel was met behulp waarvan de Sefardische gemeenschap zich staande kon houden in een vreemd land. De joodse gemeenschap ontwikkelde zich tot een bolwerk, steunend op de rijkdom die ze vergaarde met de handel op het voormalige vaderland. Michael d’Espinoza was zo’n handelaar. Hij importeerde zuidvruchten: olijfolie, vijgen, rozijnen en amandelen uit Portugal, suiker en wijn uit Brazilië en vermoedelijk ook illegale producten, zoals zilver. 

Aan die handel dankte hij een invloedrijke positie binnen de joodse gemeenschap. Michael werd meerdere malen benoemd tot ‘parnassijn,’ lid van het bestuur van de synagoge. In geloofszaken werd de synagoge geleid door rabbi’s (leraren) die het voortdurend met elkaar aan de stok hadden over geloofskwesties. Bestuurszaken werden geregeld door de Mahamad, een bestuur bestaande uit zes leden of parnassijnen die via coöptatie werden gekozen uit de meest invloedrijke families. Zij vertegenwoordigden het feitelijke gezag. Zij, niet de rabbi’s, beoordeelden inbreuken op de joodse wet. Een van de paradoxale gevolgen van de in Amsterdam herwonnen geloofsvrijheid was de instelling van een orthodoxie die des te strenger werd gehandhaafd, omdat ze de sociaaleconomische orde vertegenwoordigde.

Michael d’Espinoza woonde, overeenkomstig zijn status, in een stenen huis aan de Houtgracht, op de plaats waar nu de Mozes en Aaron Kerk staat. De Talmoed Toraschool stond een paar huizen verder aan dezelfde kant van de Houtgracht, naast de Beth Israël synagoge die na de hereniging van de drie synagoges in 1639 en na verbouwing en uitbreiding van het pand dienstdeed als de enige synagoge.

Ter oriëntatie: als Bento voorbij de Houtkoperdwarsstraat rechtsaf sloeg de Verwers Graft op (tegenwoordige Zwanenburgwal), dan kwam hij uit bij de Jodenbreestraat waar Rembrandt woonde in het tweede huis rechts dat tegenwoordig Rembrandtmuseum is. Spinoza volgde de Talmud Tora school naast de synagoge aan de Houtgracht, dat wil zeggen: de basisschool, maar niet de aansluitende rabbi-opleiding.

In 1638 stierf Bento’s moeder Hanna aan tbc, dezelfde ziekte als waaraan Spinoza zelf zou bezwijken. Zijn vader hertrouwde met Esther Fernand. Bento’s oudere zuster Miriam trouwde in 1650 met Samuel de Caceres die de rabbi-opleiding volgde en zich ontwikkelde tot een gezaghebbende rabbi. Samuel en Miriam kregen een zoon Daniël. Kort na de geboorte stierf Miriam. Samuel hertrouwde naar joods gebruik met Bento’s jongere zuster Rebecca. In 1653 stierf Bento’s stiefmoeder Esther.

LEES OVER DE BOVENSTAANDE SPINOZA-BOEKEN VAN JAN KNOL

Deel 1 : Zijn afbeelding

Deel 1 is een ontologie, een leer van het Zijn. Het Zijn is substantie, in het Nederlands: zelfstandigheid. Alle dingen worden voortgebracht door de substantie. De substantie zelf wordt niet voortgebracht, en heet vandaar ‘zelfstandigheid’. Ze is oorzaak van zichzelf. De voortgebrachte dingen zijn onzelfstandig: het zijn verschijningsvormen (modi) van de substantie. De substantie is enkelvoudig. 

Spinoza neemt stelling tegen Descartes die uitgaat van twee substanties: uitgebreidheid en denken. De zijnsleer van Spinoza staat als monisme (enkelvoudigheid) tegenover het dualisme (tweevoudigheid) van Descartes. Spinoza beschouwt uitgebreidheid en denken als een twee-eenheid, die geschreven zou moeten worden als de twee-eenheid: uitgebreidheid/denken. 

Substantie is kiemkracht. Volgens Spinoza komt deze kiemkracht voort uit de wisselwerking tussen de beide eigenschappen van de substantie: Denken en Uitgebreidheid. Denken (Natura naturans) is als scheppend vermogen werkzaam in de Uitgebreidheid (Natura naturata). De relatie tussen Denken en Uitgebreidheid komt overeen met die tussen Essentie en Existentie. 

Zijn is Wording, dat is de algemeenste strekking van Spinoza’s zijnsleer. Een dichter uit de oudheid heeft ooit opgemerkt dat de dingen worden wat ze zijn. De diepste betekenis van Spinoza’s zijnsleer ligt in de omkering van deze maxime: de dingen zijn wat ze worden.

Deel 1 van de Ethica is een zijnsleer of ontologie. Het Griekse woord ‘ontologie’ is samengesteld uit de twee woorden: ontos (Zijn) en logos (leer). Ik schrijf Zijn met een hoofdletter, omdat het Zijn in de ontologie wordt opgevat in de fundamenteelste en omvattendste zin van het woord. In de oudheid hielden filosofen als Parmenides en Heraclitus zich bezig met ontologie; in de 20e eeuw deden filosofen als Heidegger en Sartre dat.

Spinoza begint zijn Ethica met een zijnsleer in deze fundamentele betekenis. Deel 1 geeft antwoord op de vraag: Wat is Zijn? Deel 2 geeft antwoord op de vraag: Wat is denken? Deel 3, 4 en 5 geven antwoord op de vraag: Wat moeten we doen? Spinoza werkt, zoals men ziet, van de meest abstracte beginselen naar het meest concrete, alledaagse. Hij leidt de richtlijnen voor handelen (ethiek) af uit de manier waarop wij denken (kenleer) en deze op haar beurt uit het Zijn (zijnsleer of ontologie). De methode die hij gebruikt is deductief (het Latijnse woord voor ‘afleidend’). Hij werkt van boven naar beneden (top down) in die zin dat hij, beginnend bij de oorsprong van alle dingen, in twee stappen afdaalt naar de alledaagse omstandigheden waarin de mens handelend op moet treden.

Dit rationalistische uitgangspunt was een bron van misverstand in de discussie die Spinoza via zijn vriend Henry Oldenburg voerde met de Engelse scheikundige Robert Boyle. Boyle was een empiricus. Hij werkte inductief, bottom up, opklimmend naar boven. Hij deed experimenten in zijn laboratorium, observeerde wat er gebeurde in zijn retorten en reageerbuizen en leidde uit deze waarnemingen regels af over de manier waarop scheikundige stoffen zich in het algemeen gedragen. De breed uitgesponnen discussie tussen Boyle en Spinoza over het ‘wezen’ van salpeter heeft iets komisch omdat de gesprekspartners in feite langs elkaar heen praten, Boyle redenerend als empiricus, Spinoza als rationalist.

Spinoza benadert het Zijn als rationalist. Hij benadert het Zijn vanuit de meest abstract-rationele beginselen en hij hanteert een daarbij passende wiskundige, of zoals hij het noemt: ‘meetkundige methode’ (ondertitel van de Ethica). Het model dat hem voor ogen staat is Elementen, het beroemde meetkundeboek van Euclides van Alexandrië (4e – 3e eeuw v.C.). In de bijlage van dit Deel zal ik nader ingaan op de grote populariteit van dit boek onder 17e-eeuwse filosofen. Behalve Spinoza lieten ook Descartes, Hobbes en Leibniz er zich door inspireren. Opmerkelijk is wel dat Spinoza dit model verder doordreef dan zijn collega’s. Hij behandelt vraagstukken van Zijn, Denken en Doen als wiskundige vraagstukken en leidt de oplossing af uit axioma’s en definities.

Substantie en verschijningsvormen

Spinoza begint Deel 1 met acht definities en zeven axioma’s. Daaruit leidt hij 36 Stellingen en Bijstellingen af met de daarbij behorende Bewijzen en Opmerkingen. De eerste vijf definities zijn gewijd aan de ‘substantie’ of ‘zelfstandigheid’ (in de vertaling van Jan Hendrik Glazemaker). Wat is substantie? In het dagelijks spraakgebruik zeggen we dat boter, jam of verf ‘substanties’ zijn. De substantie waar Spinoza op doelt is van veel fundamenteler aard. Ze geeft antwoord op de vraag wat de oorsprong is van het heelal.

Tegenwoordig denken we deze oorsprong in termen van de oerknal. We veronderstellen dat het heelal moet zijn ontstaan uit de ontploffing, zo’n 13,8 miljard jaar geleden, van een onooglijk klein deeltje (de ‘singulariteit’) waarin een onvoorstelbare hoeveelheid energie was samengebald. We herleiden het ontstaan van het heelal tot deze ‘oorzaak’, die we de ‘eerste’ oorzaak noemen, omdat we geen oorzaak kunnen bedenken die aan de singulariteit voorafgaat. In den beginne was de singulariteit.

Singulariteit betekent ‘enkelvoudigheid’. Spinoza’s substantie lijkt sterk op deze singulariteit. Ook zij is enkelvoudig. Ze is oorzaak van alles, maar wordt zelf niet door iets veroorzaakt. De substantie veroorzaakt zichzelf; ze is causa sui (oorzaak van zichzelf). Alle andere dingen hebben een oorzaak buiten zichzelf; ze zijn onzelfstandig. De substantie staat op zichzelf; vandaar haar naam: ‘substantie’, dat betekent ‘zelfstandigheid’. Alle andere dingen kunnen tot de substantie worden herleid. Het zijn onzelfstandigheden oftewel ‘verschijningsvormen’ (modi) van de substantie.

De substantie is denkbaar volgens haar beide attributen of eigenschappen: Denken en Uitgebreidheid. Ze manifesteert zich zowel in verschijningsvormen van het attribuut Denken (het menselijk denken) en verschijningsvormen van het attribuut Uitgebreidheid. Die laatste omvatten zowel de organische (vogels, bloemen, vissen en mensen) als de anorganische dingen (land, zee en lucht).

Het onderscheid tussen substantie en verschijningsvormen hangt samen met een aantal andere fundamentele verschillen: zelfstandig – onzelfstandig; onvergankelijk – vergankelijk; oneindig – eindig; tijdloos – tijdgebonden. De substantie is zelfstandig, onvergankelijk, oneindig en eeuwig; de verschijningsvormen zijn onzelfstandig, vergankelijk, eindig en tijdgebonden. 

De substantie is enkelvoudig. Spinoza zegt het bijna terloops (in Stelling 5 en 6), maar deze enkelvoudigheid is het meest revolutionaire kenmerk van Deel 1 en misschien wel van de hele Ethica. Spinoza neemt met deze enkelvoudige substantie stelling tegen zijn leermeester Descartes die uitgaat van twee substanties, namelijk denken (res cogitans) en materie (res extensa). Eigenlijk maakt Descartes onderscheid tussen drie substanties, namelijk één ongeschapen substantie (te weten God) en twee door God geschapen substanties: denken en materie. De geschiedenis heeft Descartes’ ontologie vereenvoudigd tot de leer van twee substanties, kortweg ‘dualisme’: denken en materie. Tegen de achtergrond van dit dualisme (tweevoudigheid) tekent Spinoza’s ontologie zich af als monisme (enkelvoudigheid).

Spinoza’s monisme springt niet in het oog omdat ook Spinoza verschil maakt tussen Denken en Uitgebreidheid (materie). Maar terwijl Denken en Uitgebreidheid bij Descartes substanties zijn, zijn het bij Spinoza ‘attributen’, dat wil zeggen ‘eigenschappen’ van de enkelvoudige substantie (ik ontleen de vertaling van substantie met ‘zelfstandigheid’ en van ‘attribuut’ met ‘eigenschap’ aan Jan Hendrik Glazemaker).

Het verschil tussen Descartes en Spinoza is wezenlijk. Als Spinoza verklaart dat er maar één substantie is, waarvan Denken en Materie eigenschappen zijn, dan impliceert hij dat het scheppende beginsel – dat wil zeggen God – inbegrepen is in de materie (dat het ‘inwoont’ in de materie zoals Spinoza zegt). Descartes’ God staat als immateriële schepper los van de materiële wereld die als schepping uit Zijn handen voortkomt. De God van Descartes is immaterieel en kan nooit tot materie worden herleid. Als Spinoza volhoudt dat er maar één substantie is waarvan Denken en Materie eigenschappen zijn, zegt hij dat God samenvalt met de materie, of beter, dat God ‘inwoont’ in de materie. De God van Spinoza staat als immanente (inwonende) God lijnrecht tegenover de transcendente (materie overstijgende) God van Descartes.

Spinoza brengt God pas ter sprake in Definitie 6. Dat is vreemd. Deel 1 draagt als titel De deo – Over God. De lezer verwacht dat Spinoza in Deel 1 God zal behandelen. Maar dat doet hij niet. Hij behandelt  de substantie. Pas in de loop van het betoog maakt hij duidelijk dat God begrepen moet worden als de enkelvoudige substantie. Elders identificeert Spinoza God met de Natuur en heeft hij het over ‘God oftewel Natuur’ (Deus sive Natura).

Ik schrijf Natuur met een hoofdletter, omdat Spinoza met Natuur hetzelfde bedoelt als de stoïci met ‘fysis’. Dat heeft verregaande consequenties voor het gangbare, transcendente godsbegrip, zoals dat werd verdedigd door Descartes. Spinoza’s verklaring dat God immanent is en samenvalt met de materie waarin hij als scheppend beginsel is inbegrepen, is in strijd met de God die in de kerken wordt vereerd.

Spinoza en attributen

Als de Natuur niet door de transcendente God is geschapen, waar komen de vogels, bloemen, vissen en de mens dan vandaan? Spinoza kan wel zeggen dat God ‘inwoont’ in de Natuur, maar wat betekent dat? Het eenvoudigste antwoord op deze vraag zou zijn om te zeggen dat God een ander woord is voor scheppingskracht, maar daarmee verschuiven we het probleem, want hoe moeten we ons deze in de Natuur inwonende scheppingskracht voorstellen? 

Spinoza lost dit probleem op met behulp van de beide eigenschappen (attributen) van de substantie: Denken en Uitgebreidheid. Ze verhouden zich tot elkaar als scheppend beginsel tot geschapen beginsel. Spinoza noemt ze, met twee aan de scholastiek ontleende middeleeuwse woorden, Natura naturans (scheppende Natuur) en Natura naturata (geschapen Natuur). Dat is een slimme zet, want door deze termen te gebruiken, conformeert hij zich schijnbaar aan de orthodoxe theologie, terwijl hij er toch iets heel anders en zelfs tegengestelds mee bedoelt. De scholastiek bedoelde met Natura naturans de transcendente God en schepper, met Natura naturata de wereld die als schepping door Hem wordt voortgebracht. Spinoza bedoelt met deze termen de twee eigenschappen die in de substantie besloten liggen. De ene eigenschap (naturans) is het scheppende, de andere (naturata) het geschapen beginsel. Spinoza verklaart schepping als de internewisselwerking tussen deze twee beginselen. Zijn God is een immanente God. Spinoza zet ongemerkt de transcendente God buiten spel.

LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN VAN SPINOZA

INHOUDSOPGAVE

Inleiding
Spinoza dissident
Twee Ethica’s
Spinoza en de stoa

Deel I: Zijn
Substantie en verschijningsvormen
Monisme
Substantie en attributen
Essentie en existentie
Oorzaak en gevolg
Bijlage 1: Geometrische methode 43
Bijlage 2: Definities 49

Deel II: Denken
Denken is een drieluik
Verstand
Parallellisme
Wat is waarheid?
Het concentrische Ik

Deel 3: Doen
Aandoeningen en affecten
Blijdschap en droefheid
Umwertung aller Werte
Affecten zijn denkbeelden
Bijlage: Gangbaar taalgebruik

Deel IV: De samenleving
Van natuursituatie naar samenleving
Rede is gemeenschapszin
Utilitarisme – liberalisme
De Verenigde Oost-Indische Compagnie
Bijlage: Conatus

Deel V: Vrijheid
De ziel?
Intuïtie
Oikeiose
Van passie naar actie
Bijlage: Verstandelijke liefde tot God

Ten geleide
Dankbetuiging
Verantwoording
Literatuurlijst

BESTEL ZIJN, DENKEN, DOEN

LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN OVER SPINOZA