Het onvoltooide gedicht ‘Geheimenissen’ dat Goethe schreef in 1787: broeder Markus komt aan bij Montserrat

In 1787 schreef Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) op 37-jarige leeftijd zijn epische gedicht ‘Die Geheimnisse’ (Geheimenissen). Daarin komt de invloed van de rozenkruisers en hun symboliek duidelijk naar voren. Dit onvoltooide gedicht en het sprookje van de groene slang en de schone lelie van Goethe uit 1895 worden gezien als werken die gebaseerd zijn op een diepe esoterie. In dit verhaal dringt de pelgrim ‘broeder Marcus’ door tot een geïdealiseerd ‘Montserrat’. Hieronder volgt een Nederlandse vertaling door Johan Theissen.

1

Een wonderlijk lied wil u verblijden;
komt, luistert, en roept wie ge wilt erbij! 
Door berg en dal zal men uw schreden leiden; 
hier is de blik begrensd, daar weder vrij.
en als uw pad in ‘t struikgewas bezijden afglijdt – 
denkt niet dat ‘t een dwaalweg zij; 
wij zullen, als wij stadig zijn geklommen,
te rechter tijd ons einddoel nader komen.

2

Maar niemand mene, dat door ijv’rig zinnen
hij eenmaal ‘t hele lied ontraadselen zal;
want velen moeten veel toch hier winnen,
zo menig kruid bloeit in dit aarde-dal;
de een, versaagd, vlucht al bij ‘t eerst beginnen,
de ander voelt zich blij en ducht geen val:
een ieder moge – zo ‘t hem lust – genieten, 
voor menig pelgrim wil de bron hier vlieten.

3

Vermoeid toch van de dagen-lange reize,
op hoge aandrift was hij snel gegaan –
een staf steeds in de hand naar pelgrims-wijze
kwam broeder Marcus, langs zijn steile baan, 
verlangen naar een luttel drank en spijze,
in ‘t vredig dal bij ‘t avondscheem’ren aan, 
vol hoop dat en in deez’ beschutte dreven 
voor hem de nacht een gastvrij dak zou geven.

4

Steil opwaarts, waar hij ‘t einddoel denkt te vinden, 
meent hij de sporen van een weg te zien;
hij volgt het pad, dat zich omhoog gaat winden,
het leidt hem, stijgend naar zijn doel misschien;
en ja, hoog boven ‘t stenig dal hervinden
de stralen van de zon hem als voordien,
en spoedig, tot zijn innig vreugde-smaken,
ziet hij de top al van nabij genaken.

5

Daarnevens nog de zon, die – reeds aan ‘t wijken – 
nog heerlijk tussen donk’re wolken troont;
hij zamelt kracht, de top nu te bereiken,
daar hoopt hij dan zijn moeite dra beloond.
“Nu”, zegt hij bij zichzelf, “nu moet het blijken,
of er iets menselijks hierboven woont!”
Hij stijgt, en luistert – voelt zich nieuw geboren: 
een klokgelui weergalmt er in zijn oren.

6

En als de kam ten einde is bestegen,
ziet hij vóór zich een zachtjes glooiend dal.
O welk een stille, vreugdevolle zegen
geniet zijn oog nu andermaal;
want voor het groen geboomte glanst hem tegen
een schoon gebouw, in laatste zonnestraal:
hij haast zich over dauwbevochte weiden
naar ‘t klooster dat hem vrede moog’ bereiden.

7

Zijn voeten snel naar t stille oord hem brachten,
dat thans zijn geest met rust en hoop vervult; 
waar hij nog voor gesloten poort moet wachten, 
aanschouwt hij dan een raadselachtig beeld.
Hij staat en zint en vormt zich stil gedachten, 
wijl grote schroom hem in ‘t harte welt;
hij staat en zint – wat mag dat wel beduiden? 
De zonne zinkt en zwakker klinkt het luiden!

8

Dat teken ziet hij voor zich, hoog verheven,
dat heel de wereld troost en hope reikt,
dat door zijn kracht zo menig hart verrijkt; 
dat zelfs de bitt’re vijand Dood doet beven
en in strijdbanier veelvuldig prijkt:
een bron van lafenis doorstroomt hem weder,
hij ziet het kruis en slaat zijn ogen neder.

9

Hij voelt opnieuw welk heil hier werd ontbonden,
welk sterk geloof het aan de wereld bracht;
maar fonkel-nieuwe zin gaat het verkonden,
zoals het hier verrijst in jonge pracht:
hier staat het kruis met rozen dicht omwonden.
Wie heeft aan ‘t kruis de rozen toegedacht? 
Verjongend dringt de krans van alle zijden
om ‘t stugge hout van starheid te bevrijden.

 

10

En zilverlichte hemelwolken zweven,
met kruis en rozen hogerop te tijgen,
en uit het midden welt een heilig leven:
een drietal stralen aan één punt ontstijgen;
doch niet door woorden is het beeld omgeven,
waardoor ‘t geheimnis een zin zou krijgen.
In schemering, die zwak nog na blijft gloren,
staat hij en zint – en voelt zich als herboren.

11

Hij klopt eerst, als hoge sterrenlichten
hun held’re lichtglans tot hem nederwenden.
De poort gaat open voor wie komt berichten,
alsof zij alreeds lang de vreemd’ling kenden.
Hij zegt vanwaar hij komt, tot welke plichten 
hem de bevelen van zijn meesters zenden.
Men hoort verwonderd toe; die men eerst noodde
als gast in ‘t huis, vereert men nu als bode.

12

Een ieder haast zich, hem toch ook te horen,
voelt zich vrij zich bij zijn woord en toch geboeid; 
daar ieders hart hem aanstonds tegengloeit.
Wat hij vertelt klinkt voor hun grage oren
als wijsheid die van kinderlippen vloeit:
aan openheid die zich met onschuld paarde
gelijkt hij een mens van een and’re aarde.

13

Dan roept een grijsaard: “Nu gij zijt gekomen,
weest hart’lijk welkom dan aan onze haard!
Want als ik wél uw rede heb vernomen,
brengt gij de troost, die onze smart bedaart:
het schoonst geluk, ach, ‘t wordt van ons genomen,
door zorgen en door vrees zijn wij bezwaard.
Te kwader ure nemen onze muren
u, vreemd’ling op, om ook met ons te treuren.

14

Want acht, hij wie wij allen zijn verbonden,
die wij als vader, vriend en leider roemden,
door wie wij ‘s levens lichte moed verstonden,
gaat scheiden ras, ach, ‘k mag het u niet verbloemen. 
Eerst kort geleden ging hij ‘t zelf verkonden,
maar wijze nog ook ure wil hij noemen:
en zo is ons zijn onvermijd’lijk scheiden
geheimnis en vol van bitter lijden.

15

Gij ziet ons allen hier met grijze haren,
zoals natuur ons zelf tot rusten bracht:
wij namen niemand op, die, jong van jaren,
te vroeg zijn ziel onttrok aan ‘s werelds jacht.
Nadat, in ‘s levens lust en last ervaren,
de noodlotswind verloor zijn felle kracht
was ‘t ons vergund, van aardse zorg ontbonden, 
dat wij getroost de zeek’re haven vonden.

16

De eed’le man van wie wij moeten scheiden 
verwijlt in Godes vrede-ontvangenis;
ik mocht op ‘s levens weg hem begeleiden,
ben van vervlogen tijden wel gewis.
De uren van zijn eenzaam voorbereiden,
zij melden ons ‘t naderend gemis.
Wat is de mens, waarom kan hij zijn leven
voor niet, en nooit voor ‘t beet’re wezen geven?

17

Dit ware nu mijn innigste verlangen;
is ‘t nog te veel wat ik tot het lot wil vragen? 
Om velen treurden wij met rouw-gezangen 
maar hem moet ik het bitterst toch beklagen. 
Hoe vriend’lijk had hij anders u ontvangen! 
Maar ‘t huis heeft hij aan ons nu opgedragen; 
hoewel hij geen nog in zijn plaats liet wijden, 
leeft in de geest hij reeds van ons gescheiden.

18

En komt nu daag’lijks nog maar luttel stonden,
vertelt ons en is meer dan ooit ontroerd;
hij meldt ons alles ganslijk onomwonden,
hoe wonderlijk ‘t lot hem heeft gevoerd;
wij merken ‘t op , dat wij het eens verkonden,
de wereld ‘t kleinste teken dan ook hoort;
wij laten één dit alles vlijtig schrijven,
dat trouw geheel ‘t verhaal bewaard zal blijven.

19

Veel dierbaars zou ik liever zelf vertellen,
in plaats van ‘t luisteren ware ‘t mij een feest; 
‘t geringste zelfs zou ik bewaren willen,
nog staat mij alles duid’lijk voor de geest;
ik luister toe en kan het niet verhelen,
dat ik niet steeds tevreden ben geweest: 
wanneer ik eens deez’ dingen ga verhalen 
moog’ in verheev’ner spraak’ ik ze vertalen.

20

Als derde man zou ‘k vrijer u doen merken,
hoe van zijn moeder ‘t geestlicht niet meer week, 
en hoe, om bij het dorpsfeest hem te sterken,
één sterre als een zon te stralen leek;
ook hoe een adelaar op wijde vlerken
bij duiven in de hof dan nederstreek,
niet wondend hen of zelfs om ze te doden:
hij scheen ze zacht tot samengaan te noden.

21

Dan heeft hij steeds bescheiden ook verzwegen, 
hoe hij, als kind, een slang heeft overmand,
die, uit verraderlijk moeras gestegen,
zijn kleinste zuster dreid’- En, welk een schand’: 
de voedster vluchtt’ en liet het wicht daar liggen; 
hij wurgde ‘t ongediert’ met vaste hand:
zijn moeder kwam en zag, met vreugde beven, 
de daden van haar zoon: ‘t behouden leven.

22

En zo verzweeg hij ook dat eens het water
op zwaardslag uit de rots te voorschijn spoot, 
en als een hel’dre beek met luid geklater 
bergafwaarts in de steile diepte schoot.
Nog bruist ze, ‘t is al zoveel jaren later,
als op die eerste dag waarop ze vloot,
en zijn gezellen die het wonder zagen
ternauwernood hun dorst te lessen wagen.

23

Komt bij een mens natuur zijn kracht vermeren, 
dan is ‘t geen wonder dat hij veel vermag;
men moet in hem des scheppers macht dan eren, 
die wekt wat in de stof verborgen lag.
Maar als een man in ‘t zelf bedwingend leren
de zwaarste proef volbrengt die men ooit zag, 
dan zal met recht hij in onz‘ achting stijgen, 
men weet: dat is hij zelf, dat is zijn eigen!

24

Want ‘s mensen kracht wil voorwaarts zich verbreiden, 
terzijde dringend wat zijn vaart verstoort;
daartegenin beëngt van alle zijden
de stroom der wereld, sleurt ons met zich voort;
in deze zielenstorm, in ‘t werkend strijden
verneemt de geest het schaars begrepen woord:
van ‘t star geweld dat alles houdt gebonden
bevrijden zich, die zich verwinnen konden!”

25

“Reeds vroeg toch was het dat zijn hart hem leerde 
wat ik bij hem geen deugd nog noemen zal:
dat hij zijns vaders streng gebod vereerde, 
gewillig deed wat die hem nors beval;
zodat zijn vrije tijd in dienst verkeerde,
de zoon zich onderwierp geheel en al.
gelijk een arme wees, wien niets meer eigen,
uit nood het doet om zo wat loon te krijgen.

26

De strijders moest in ‘t veld hij begeleiden,
vooreerst te voet bij storm en zonneschijn,
hun paard verzorgen en het maal bereiden
en ied’re oude krijger krijger dienstbaar zijn.
Als bode stond hij klaar te allen tijde
geen dienst des daags of ‘s nachts was hem ter klein; 
en zo, gewend voor and’ren slechts te leven,
kon moeite alleen bevrediging hem geven.

27

Zoals in ‘t strijdgewoel hij zonder vrezen
de pijlen las die hij daar liggen vond,
ging hij nadien terstond de kruide lezen
waarmee hij de gewonden dan verbond.
en wat zijn hand aanraakte moeste genezen, 
zijn gave troost de zieken wijd in ‘t rond;
wie kon zich aan zijn blij gemoed niet sterken! 
Alleen zijn vader scheen hem niet te merken.

28

Gemakk’lijk als het schip dat in ‘t laveren
door tegenwind noch golfslag wordt gestoord, 
verdroeg hij ‘t strenge ouderlijk beleren: 
gehoorzaamheid was ‘t eerst en laatste woord. 
Gelijk de knaap zijn lust eerst -, dan begeren 
beweegt, trok slechts een vreemde wil hem voort. 
De vader zon op nieuwe deugd-bewijzen,
maar, waar hij laken wilde, moest hij prijzen.

29

En eindlijk durfde hij ‘t met hem te wagen,
hij keurde hem des vaders achting waard,
en toen de zoon zijn vrijheid op kwam vragen
schonk hij hem onverwacht zijn fiere paard;
de jong’ling werd uit enge dienst ontslagen,
hij droeg geen dolk meer, maar een vorst’lijk zwaard. 
Aldus beproefd trad hij nu in de orde,
die van geboort’ af hem bestemd geworden.

30

Zo kan ik u nog dagenlang berichten,
wat u verwondert en uw hart beweegt; 
voorzeker: in de kost’lijkste gezichten
is ‘t dat zijn werken ‘t nageslacht nog heugt;
wat ons gemoed in fabels en gedichten
niet moog’lijk schijnt en toch het hoog verheugt, 
verneemt het hier, en ‘t wil zich graag gewennen
ten diepst verblijd ‘t als de waarheid kennen.

31

En vraagt ge mij dan nu de naam van deze
die, uitverkoren, ‘t goddelijke werk vermag? 
O, dat ik hem toch maar genoegzaam prijze, 
van wie men maakt zo spaarzaam eerst gewag! 
Humanus heet de heilige, de wijze,
de edelste die ik met ogen zag;
en zijn geslacht, zoals de vorsten ‘t heten,
zijn afkomst ook, zult gij voor immer weten.”

32

Zo sprak de Oude en had nog meer gesproken,
want van de wond’ren was hij gans vervuld;
en wij – nu ook in ons de vlam ontstoken – 
verblijden ons aan wat zich hier onthult;
maar dan juist wordt zijn spreken onderbroken,
als ‘t innigste geheim zijn hart ontwelt.
De and’re broeders gingen nu en kwamen
zodat zij ‘t woord van hem van de mond wegnamen.

33

Is dan tezaam het avondmaal genoten
terwijl de tijd van ‘t spreken snel verstrijkt – 
wordt water, in een reine schaal gegoten,
aan broeder Marcus gaarne toegereikt.
Dan leidt men naar een zaal hem, onverdroten,
die zeldzaam schouwspel hem te bieden blijkt. 
Wat hij daar zag mag niet verborgen blijven; 
ik zal ’t naar beste weten u beschrijven.

34

Geen schitt’ring hier de ogen overspande,
een machtig kruisgewelf steeg koen omhoog,
en dertien zetels zag hij langs de wanden
in ‘t rond geordend in een wijde boog,
met beeldhouwwerk versierd door kunst’naarshanden; 
een lezenaar voor elk het deels onttoog.
Men kon aan wijding zich hier overgeven,
aan levensrust en een gemeenzaam leven.

35

Daarboven zag hij dertien schilden hangen, 
want één was ied’re zetel toebedeeld.
Geen ijd’le grootsheid nam hem hier gevangen, 
in elk was diep geheim’nis uitgebeeld,
en broeder Marcus brandde van verlangen
te weten wat zo menig beeld verheelt;
het middelst’ teken doet schroomvallig zwijgen,
hij ziet opnieuw: het kruis met rozentwijgen.

36

De ziel kan hier zo velerlei beleven
van ‘t een wordt naar ‘t and’re zij geleid; 
van helmen leest men af een roemrijk streven, 
ook zwaard en lansen staan ineen gevlijd;
en wapens, zo men die van strijdens-dreven
verzaam’len kan, tot hoger doel gewijd;
dan vaandels, een trofee uit verre landen,
en, zie ik juist, ook ketens daar en banden!

37

Een ieder knield’ in stil gebed verzonken,
het teken op de borst zich gevend, neer;
en van hun lippen klare wijzen klonken,
waarin hun vroomheid vrucht vindt meer en meer; 
dan zegenen, die trouw elkander schonken, 
verbonden broeders zich ter ruste weer:
slechts Marcus wacht, terwijl de and’ren scheiden, 
met enk’len die, nog schouwend, blijven beiden.

38

Zo moe hij is, wil hij toch blijven waken, 
want machtig bloeit hem nog zo menig beeld: 
hier ziet hij van ‘t gebroed der vuurge draken
er een die hete dorst aan vlammen stilt;
en hier een arm, beklemd in berenkaken,
die ‘t warme bloed in trage stroom verspeelt; 
deez‘ beide schilden hingen ten geleide
bij ‘t rozenkruis ter recht- en ter linkerzijde.

39

Waarheen ook maar hij nu zijn blik laat weiden
voelt hij bewondering voor kunst en pracht,
met opzet wil zich rijkdom hier verbreiden
en ‘t lijkt of ‘t alles welt uit eigen kracht.
Is ‘t wondermacht die ‘t werk alzo moest leiden? 
Is ‘t wonder dat het zo werd uitgedacht?
Het komt hem voor, bij ‘t zaligste verrukken,
of ‘t leven thans eerst werk’lijk zal gelukken.

40

“Ge komt hierheen langs wonderlijke paden”, 
zo spreekt de oude hem weer vriend’lijk aan; 
“wat achter deze beelden leeft aan daden:
als gij hier blijft, zult gij het eens verstaan; 
wat hier verborgen ligt , is niet te raden, 
tenzij wij ‘t vertrouwelijk tonen gaan; 
vermoeden kunt ge slechts wat hier geleden,
geleefd, verloren werd, en – uitgestreden.

41

Meent echter niet dat slechts van oude tijden
de grijsaard spreekt, want veel zich nog voltrekt; 
veel is, van wat ge hier ook moogt verbeiden, 
door voorhang, of door sluier slechts, bedekt. 
En, zo ge wilt, moogt gij u voorbereiden:
o vriend, uw weten is eerst half gewekt;
de voorhof heeft u gastvrij opgenomen,
ge schijnt mij waard in ‘t Heiligste te komen!”

42

Na korte slaap, in stille cel genoten,
wekt onze vriend gedempte klokkentoon.
Hij haast zich overeind, snel, onverdroten –
de roep der wijding volgt de hemelszoon.
En vlug in ‘t hullende gewaad geschoten
ijlt naar de drempel, naar der heil’gen woon
zijn hart vooruit, door stil ebed bevleugeld;
hij drukt de klink, maar ‘t slot is hecht verzegeld.

43

En als hij luistert, vallen driewerf slagen,
een hol weerklinkend brons de rust verstoort, 
geen klokslag of -gelui wordt voortgedragen, 
een zachte fluit daartussen wordt gehoord;
‘t geluid – ‘t is of het wekken wil de tragen – 
beweegt zich zo dat het zijn hart bekoort, 
uitnodend blij, alsof met wijgezangen 
tevreden paren ‘t eenend feest aanvangen.

44

Hij snelt op ‘t venster toe om daar ‘t aanschouwen 
wat hem verwart, maar wonderbaar ook streelt; 
hij ziet de dag in ‘t verre oosten grauwen,
de horizon door lichte waas omspeeld.
En – mag hij werkelijk zijn oog vertrouwen? – 
Een zeldzaam licht dat door de gaarde ijlt:
Drie knapen, fakkels in hun handen dragend,
uit gang en hove duisternis verjagend.

45

Hij ziet in ‘t licht de witte waden glanzen,
die ‘t lichaam volgen in hun ranke lijn,
dan blonde lokken schenken bloemenkransen, 
hun leest een rozengordel wond’re schijn;
het is als komen zij van nachtelijk dansen,
in prille ochtend fris verkwikt en rein.
Zij ijlen voort en, als de ochtendsterre, 
verliezen zij hun glans in ‘t wazig verre –

Bron: ‘Uit Goethes beeldenschat’ van Johan Theissen uit 1985
Beeld: ‘Bruder Markus’ van Hermann Linde (1863-1923)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *