Gnostieke magie is koninklijke kunst: het herstellen en gebruiken van oorspronkelijk bezit, van volheerlijke oorspronkelijke krachten en vermogens

Als wij van magie iets werkelijks, iets essentieels, willen weten, dan kan onze boekenkast geen uitkomst brengen. Dan moeten wij ons verdiepen in de Universele Leer. Dit is geen boek, maar het tweede aanzicht van de goddelijke werkzaamheid: het is de filosofie van de geestwet, het licht dat ons het plan van de Vader verklaart.

Er zijn zeker goede boeken over deze universele wijsbegeerte geschreven, maar het werkelijke begrijpen, doorschouwen, omvatten en zien, kunnen alleen voortvloeien uit herinnering en fundamentele verandering.

Magie, naar haar wezen verstaan, is niet anders dan reconstructie en toepassing van oorspronkelijk bezit, van oorspronkelijke vermogens. Hiermee bedoelen wij dat de mens voorheen de beschikking heeft gehad over grote en, gemeten naar de standaard van ons huidige mens-zijn, wonderbaarlijke krachten en vermogens.

De mens was werkelijk ‘kind van God’. Hij bezat volheerlijke vermogens, in een stadium van volmaaktheid of vrije ontwikkeling ‘volmaakt gelijk onze Vader in de hemel volmaakt is. Vergeleken met de mens van voorheen is de mens nu een karikatuur, een verzonken spiegelbeeld van een verloren lichtstaat.

De deelhebbers aan de Christushiërarchie echter zijn in hun oorspronkelijke lichtstaat  gebleven, of daarin weer, in verschillende stadia van ontwikkeling, opgenomen. Deze entiteiten zijn in het bezit van hun vroegere lichtvermogens en lichtkrachten in verschillende ontwikkelingsstadia.

Zij vormen een levend getuigenis dat God zich door zijn schepping en zijn schepsel bewijst. Als men nu deze entiteiten, in hun drievoudige aanzicht van wil, wijsheid en werkzaamheid, vergelijkt met de gewone massamens, is het verschil inderdaad wonderbaarlijk.

In werkelijkheid is deze vrije of opnieuw bevrijde mens in het bezit van zijn volkomen natuurlijke vermogens en krachten, terwijl wij in onze staat van zijn, ónder-natuurlijk zijn. De weg terug nu, dat wil zeggen het geleidelijk herboren worden tot onze oorspronkelijke godsnatuur, met alle gevolgen van dien, is een gnostieke ontwikkeling die aangeduid wordt als de ars magica, de magische kunst, of als de reconstructio, de koninklijke kunst.

Allen nu, die van onderen op, geleid door de bloedsdrang van de herinnering en door fundamentele verandering, de Christushiërarchie naderen, gaan de koninklijke kunst beoefenen, daartoe in staat gesteld, door de drievoudige goddelijke stralingskracht, welke van de hiërarchie tot hen uitgaat.

Wij spreken bij voorkeur van de ‘koninklijke kunst’ , de koninklijke kunst van bouw, omdat de woorden en begrippen met betrekking tot ‘occultisme’ en ‘magie’ door verkeerd gebruik bedorven zijn. Wij vermijden deze woorden dan ook zoveel mogelijk.

Allen die van onderen op de geestesschool naderen, zijn, naar het woord van de Heer, zoals dat in alle wereldgodsdiensten gesproken wordt ‘geroepen tot koningen en priesters’; dat wil zeggen: tot behoeders, en tot uitstralers van binnenuit, van goddelijke waarden en krachten; derhalve tot vertegenwoordigers van God in alle gebieden van stof en geest; dat is: tot het ware priesterschap.

En voorts tot ontwikkeling en openbaring, in dynamische heerlijkheid, van al wat God in de mens bedoeld heeft; dat is: tot het ware koningschap. Het behoeft geen betoog dat zodanig koning- en priesterschap geheel en al in elkaar vloeien. Zulk een waar priester is ook waarlijk koning; en zulk een koning draagt immer het ware priesterschap uit.

Toepasselijk is hier het woord uit de Bergrede, door Christus tot de discipelen gesproken: ‘Gij zijt het licht van de wereld … Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.’

Als wij hier voortaan spreken over ‘het leerlingschap’, bedoelen wij de aangeduide koninklijke en priesterlijke ontwikkeling, tot één geheel verbonden. Het leren van de ze koninklijke kunst is natuurlijk onderhevig aan een procesmatige ontwikkeling, welke haar grondslag vindt in de geestdrang van de herinnering en de fundamentele verandering.

Daarbij staat de leerling het grote doel voor ogen:

  1. te worden en te zijn, zoals God wil dat hij worden en zijn zal;
  2. binnen te gaan in de lichtstaat van de Christushiërarchie;
  3. met alle bevrijden, in dienst van de Grote Meester, werkzaam te zijn tot redding van wereld en mensheid.

Deze eenvoudige doelstelling waarborgt dat alle eigenwilligheid en alle ik-centraliteit op de achtergrond verdwijnen, terwijl alleen het goddelijke doel naar voren treedt in de naamloze Christushiërarchie, met zijn vele anonieme leden. De reconstructio, in en door de leerling tot stand komende ten dienste van het grote doel, dat is de basis van alle ware witte magie, dat wil zeggen: gnostieke magie.

Bron: Elementaire wijsbegeerte van Jan van Rijckenborgh

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *