Toen Tao werd verwaarloosd, strofe 18 van de Daodejing en een commentaar

Daodejing.018

Toen Tao werd verwaarloosd,  kwamen Menslievendheid en Gerechtigheid.
Toen de ‘scherpzinnigheid’ en ‘het schrandere doorzicht’ voor de dag kwamen,
ontstond de grote Huichelarij.

Toen de familie niet meer in harmonie leefde, kwamen de Hiao en de Ts’z’.
(liefde voor de ouders en liefde voor de kinderen).

Toen de staten van het Rijk in verwarring waren, kwamen de getrouwe onderdanen.

Bron: Mysteriën van Tao en de Daodejing

De Gnosis – Tao – treedt bij het ochtendgloren van de kosmische dag de jonge mensheid tegemoet en gaat zolang mogelijk mét haar. Bij een nieuwe dag van openbaring is de kans tot vrijmaking voor allen volkomen open. Doch die kans blijft niet open, in de dialectiek is dat uitgesloten. Iedere dag van mensheidsopenbaring toont een geboorte, groei, volwassenheid en daarop een verstervingsgang. Tijdens die gang wordt het raslichaam steeds meer verdicht en de toestanden van afgescheidenheid stijgen tot hun toppunt.

De ontreddering en de toestand van verzonkenheid van de mensheid is volstrekt geen raadsel. Slechts een gering percentage van de mensheid toont nog enige zwakke blijken van reactie op gnostiek magnetische stralingen. Voor de rest moet men zeggen dat er, na de periode van ´verwaarlozing van Tao´, thans een volkomen breuk met Tao tot stand gekomen is, een breuk van fundamentele aard. Een laatste redmiddel werd toevertrouwd aan de Geestesscholen van de zevenvoudige Wereldbroederschap.

In een overgroot deel van de mensheid zijn nog elementen aanwezig, die duidelijk getuigen dat zij tot beter lot en hoger goed geroepen is. De mensheid bewijst een hoge afkomst. Maar helaas, om een beeld uit `De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis´ te gebruiken, ligt de mensheid gekluisterd in een donker kerkerhol, waarin de mensen druk bezig zijn elkaar de duisternis, de ellende en de kluisters te verwijten.
Tegelijkertijd zijn zij druk bezig, theoretisch en praktisch, deze bende te ordenen en te verbeteren. Daarin slagen zij niet. De opzet is nutteloos, maar de poging is begrijpelijk.

Toen Tao werd verwaarloosd, kwamen menslievendheid en gerechtigheid.
Het humanisme is in zijn groei en ontwikkeling niet van de lucht geweest en heeft een stempel op onze samenleving gezet. Wie zou niet wat menslievendheid en gerechtigheid kunnen gebruiken? Maar accentueert al dat gedoe tegelijkertijd niet heel scherp de hellevaart van de mensheid? Vierhonderd jaar humanisme, doch vierhonderd jaar lijden en verdriet. De vreselijkste oorlogen en vernietigingen, één razernij van moord en doodslag. De mens toont twee naturen. Hij is potentieel een god en tevens een duivel.

Moet men dan niet menslievend zijn? Als u het bent, kunt u het niet nalaten. Maar zie toch in dat het geen oplossing geeft. En waarom zou u niet gesteld zijn op gerechtigheid? Maar wat is recht voor die wriemelende, hoogst gecompliceerde massa in het donkere hol? Lopen de belangen niet hopeloos uiteen? Hoe gemakkelijk kan men in naam van het recht tot huichelarij komen.
Als u belangen hebt op de horizontale lijn, uw plichten en uw zelfhandhavingsnood en dus uw zorgen, dan hebt u tegelijkertijd door de jaren heen uw scherpzinnigheid en doorzicht ontwikkeld. U voert een tactiek, een uitgekiend spel om uw doeleinden te bereiken en het recht op uw hand te krijgen. Niet om het recht te doen, het hoge recht, maar vanwege uw doel. Uw activiteit wordt dus huichelarij en er ontstaan allerlei verwarringen door. Ook politiek en economisch wordt er gelogen en bedrogen volgens plan. De grote mensenfamilie is niet in harmonie.

En toen kwam de liefde van ouders en kinderen die elkaar wederzijds vertroosten. Als kleine eilandjes in de kolkende zee zijn daar de families en gezinnen. Is dat verkeerd? Integendeel.
Het is misschien het enige rustpunt dat u in de levensstorm hebt. Het gezin is een zwemvest om de mensen te behoeden voor verdrinking. Doch idealiseer dit alles niet. Want het is maar een treurig overschotje van het oerleven bij Tao.
En zoals het met het gezin is, zo is het ook met de volkeren. Ieder volk is een groot gezin. Het volksgezinsleven, de vaderlandsliefde, we constateren slechts dat zulke gevoelens leven en daarom kent ieder volk zijn getrouwe onderdanen. En hoewel principieel genomen een goede eigenschap en een glimp van het oorspronkelijke, weet u waartoe de mensheid soms gedreven kan worden door enig nationaliteitsgevoel. Er is geen mensenkind dat in alle opzichten vrij is van zijn volkspsyche, omdat het een bloedtoestand is.

Is het geen waan wanneer u zich blijft koesteren in al die karikaturale afspiegelingen van het licht? Zou u zich niet veel beter kunnen wenden tot het licht zelf? Dient u niet terug te keren tot Tao zolang dat voor u nog mogelijk is?
U hebt de roepstem gehoord, nu gaat het om de consequenties! Laat ons gaan en het kerkerhol verlaten. En door zielenwedergeboorte in de vrijheid gaan staan.

Bron: hoofdstuk 18 van De Chinese Gnosis van J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri