Symboliek in het kerstverhaal over de geboorte van Jezus in de Bijbel, artikel uit het tijdschrift Pentagram

Het voortjagende rad van de tijd heeft ons weer gevoerd tot dat punt van het jaar waarop, indien wij ons ervoor openstellen, alle dingen tot een zekere rust komen; een moment waarop een stilstand intreedt, een periode van inkeer en verwachten.

De zon heeft haar laagste stand bereikt en alles lijkt even de adem in te houden. Kosmisch gezien heeft de periode van Kerstmis tot Driekoningen voor de mens altijd een diepe betekenis gehad. Hij was op dit dieptepunt, tijdens de winterzonnestilstand, ontvankelijker voor bezinning dan gewoonlijk. Er was stilte; stilte zowel buiten, waar de sneeuw ieder al te hard gerucht dempte, als binnen, in de intimiteit van de woning.

Het kerstfeest is in onze landen heel lang vooral een intiem feest geweest. Het was altijd vooral een feest van welgezindheid en goede wil. De kerstboom of het kerststalletje ademde al vrede uit. In huis was het warm en gezellig, terwijl buiten de winterse kou heerste.

Deze wijze van beleving vormde als het ware een sluier van welbehagen en intimiteit, die langzamerhand welhaast de essentie van dit feest was gaan uitmaken. Doch in onze tijd wordt deze sluier langzamerhand weggetrokken, omdat de mens veel meer open is komen te staan voor wat er buiten het intieme binnenhuis, in de wereld te koop is.

En nemen wij het woordbeeld van het evangelie zelf in ogenschouw, dan wordt deze wade   zeer beslist voor onze ogen weggenomen en blijft niets idyllisch over. Want de geboorte in de stal is het begin van een drama, dat zal eindigen aan het kruis. Het is echter opvallend dat het zo bekende begin van het verhaal zich onderscheidt door een verteltrant van kristalheldere eenvoud, waardoor het duidelijk afsteekt tegen de achtergrond van de gebeurtenissen.

En het geschiede in die dagen dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus, dat het gehle rijk moest worden ingeschreven. Deze inschrijving had voor het eerst plaats, toen Quirinius het bevel over Syrië voerde. En zij gingen allen op reis om zich te laten inschrijven, ieder naar zijn eigen stad.

Ook Jozef trok op van Galilea, uit de stad Nazaret, naar Judea, naar de stad van David, die Bethlehem heet, omdat hij uit het huis en het geslacht van David was, omzich te laten inschrijven met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke zwanger was.

En het geschiede toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zou, 7 en zij baarde haar eerstgeboren zoon en wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een kribbe, omdat voor Hem geen plaats was in de herberg.

Als wij even bij de letterlijke tekst blijven, gaat het hier om een gebeurtenis die ongetwijfeld hele landstreken in het Romeinse rijk in de grootst mogelijke beroering heeft gebracht. Stel u voor: een volkstelling – volgens het verhaal voor het eerst – waarbij ieder moest gaan naar de stad van zijn afkomst.

Hoevelen zullen bij hun tocht, kris-kras door het land, de wegen onbegaanbaar hebben gemaakt? Wat een problemen op het gebied van eten, drinken en onderdak. Wat een oosterse drukte, geschreeuw en kabaal! Wij hoeven niet te veronderstellen dat de bezettende macht, van wie het bevel uitging, enige consideratie had.

Bezetters kenden geen pardon. Ze willen precies weten wat zij bezet hebben. Zij willen de mensen kennen, die nu niet langer vrij zijn, maar slaven. En die op ieder moment gedeporteerd kunnen worden en over wier leven naar willekeur kan worden beschikt.

Hoe zal de bevolking zich hebben te gedragen bij al deze overlast? Als Jozef en Maria in Bethlehem aankomen, blijkt er voor hen dan ook geen behoorlijk onderdak te vinden, zelfs niet voor een vrouw in de omstandigheden van Maria.

Maar het evangelie, dat toch op diverse plaatsen blijk geeft van grote realiteitszin, gaat aan al dat rumoer voorbij. Dit is niet zonder reden. Om enigermate hiervan de bedoeling te  peilen, wenden wij ons nu af van de gebruikelijke fixatie op deze woordbeelden en bepalen ons bij het heden. Wij trachten een dichte sluier voor onze blik, te verwijderen, waarbij wij ons losmaken van de idee, dat eenmaal in de geschiedenis Jezus, die de Christus in zich zou vrijmaken, op de geschetste wijze ter wereld is gekomen en zelfs dat hier sprake zou zijn van een historisch verslag.

Wij hebben alleen even bij de door de tijd geweven sluiers stilgestaan om beter de nadruk te kunnen leggen op wat de Universele Leer van alle tijden ons te zeggen heeft. Daarin wordt namelijk steeds weer de aandacht gevestigd op een geboorteproces dat in de mens  zelf tot ontwikkeling moet komen, wil er sprake zijn van deel krijgen aan het Koninkrijk der Hemelen, het rijk dat niet van deze wereld is.

De legendevorming heeft gezorgd voor een sfeer van liefheid, zoetheid en volgzaamheid. Maar heeft u er wel eens bij stilgestaan dat de goddelijke Schepper, die toch de oergrond moet zijn van het hele universum, met zijn voor ons besef onvoorstelbare afstanden van miljarden lichtjaren, met alle daarin optredende krachten, zich onmogelijk kan manifesteren volgens het roze beeld dat ervan gemaakt is?

En dat, als de Zoon getuigt: ‘De Vader en ik zijn één’, voor de Zoon hetzelfde moet gelden? Wil er sprake zijn van een bevrijdend evangelie, dan zal dit vanuit zijn eigen natuur noodzakelijk in tegenspraak moeten zijn met alle eromheen geweven verdichting.

Als wij enigermate trachten door te dringen tot hetgeen de Universele Leer of Gnosis ons wil overdragen, gaat het om een confrontatie van onszelf met de eeuwigheid in het actuele heden, nu, op dit moment, waarop wij erover lezen.

Als wij bij onszelf naar binnen schouwen, zal duidelijk blijken dat wij, geboren en getogen als wij zijn uit een natuur van opgaan, blinken en verzinken, zo, zonder meer, geen deel kunnen hebben aan iets dat totaal anders is. Daarom spreekt de Gnosis nadrukkelijk van twee geheel verschillende natuurorden.

Wij zijn van de natuur van het sentiment en het lekkere maal, waarvoor in talloze gevallen dieren zijn gedood, die ook tot de schepping behoren. Wij zijn geheel van deze wereld, waardoor wij het Koninkrijk gewoonlijk zien als een verlengstuk van ons leven op aarde, wel anders, maar toch volgens het beeld dat onze fantasie ervan gemaakt heeft.

De Gnosis getuigt echter dat wij het Koninkrijk noch kunnen zien, noch ingaan; dat wij weliswaar beelddragers zijn, dienende factoren, maar dat het in feite gaat om een in onze  kleine wereld, onze microkosmos, aanwezige, nagenoeg in doodsslaap verzonken, kern van waarlijk goddelijk leven, een overblijfsel van de goddelijke natuur, waaruit de oorspronkelijke mens eenmaal gevallen is en waaromheen zich in zeer, zeer lange tijden de natuurlijke mens van deze wereld gemanifesteerd heeft.

De Bijbel spreekt dan ook tot die natuurlijke mens: ‘Het Koninkrijk is binnen in u.’ Wij willen daarom een poging doen het kerstverhaal en de episodes daaromheen te volgen vanuit een gezichtspunt, corresponderend met deze goddelijke vonk, waarbij wij ons terdege bewust zijn van de beperkingen die dit pogen onvermijdelijk aankleven.

Om te beginnen doet zich dan volgens de tekst het feit voor, dat de gehele toen bekende wereld, alle landen rondom de oude wereldzee, werden beheerst door de Romeinse bezettende macht, dat wil zeggen dat de goddelijke vonk, het laatste overblijfsel van de oorspronkelijke hemelse mens, zich met vele lotgenoten bevindt in het grote tehuis van de dood, het opgaan, blinken en verzinken.

Door de val van de goddelijke mens is een zich alle manifesterende en handhavende tegennatuur ontstaan, die alles beheerst en doordringt, van de kleinste microbe tot het verst verwijderde melkwegstelsel.

Deze natuur vormt en beheerst het bewustzijn in alle schepselen, van hoog tot laag. Zij is dat bewustzijn en zij handhaaft zich in en genadeloze strijd om het bestaan tussen de schepselen, die allen worden doordrongen van een volkomen afgescheidenheidsbesef, die alleen zichzelf zien en stuk voor stuk proberen te overleven.

Ten aanzien van de vonk die van een andere natuur is, is onze gehele natuurorde, zowel microkosmisch, kosmisch als microkosmisch, aldus overgeleverd aan een vreemde bezetter, tegen wie niet valt te fulmineren.

Voortdurend worden alle schepselen geteld. Want deze natuur in haar verworden verschijningsvorm kromt zich in een voortdurende zelfhandhavingsstrijd. Niets en niemand mag haar ontsnappen. Haar stralingen komen overal en omringen en doordringen alles. Haar wegen zijn vol chaotisch gedrang, strijd, opgang en ondergang.

Naast het overweldigende, het miraculeuze, het bedwelmende en verlokkende, kent zij poelen voor verschrikking en bederf, geweld en intense duisternis. Haar kringlopen, haar reeksen van gebeurtenissen, keren weer en weer, in eindeloze herhaling, steeds anders en toch steeds weer dezelfde.

Haar schepselen ontstaan, vertonen groei en bloei, maar worden ook telkens vermalen in de nooit eindigende jacht naar zekerheid. In haar verschijnen de soorten en de rassen. Zij maken een evolutie door, om daarna door schokkende veranderingen weer te verdwijnen en plaats te maken voor andere.

In dit tijdsgebied, de wereld van de dialectiek, die wij schilderden in haar verworden toestand, maar die oorspronkelijk in evenwicht was met de goddelijke harmonie, daalde de wordende mens in. Het daardoor ontstane verbond van geest en stof luidde het drama in van het zich openbarende stoffelijke bewustzijn, van de levensnood en het onvervulbare tekort. De stof, die zich voortdurend omzette, werd hierin nu geremd. Kristallisatie en dood traden op.

Het oorspronkelijke leven in de microkosmos werd tenslotte latent, een slapende vonk van goddelijk leven, en een nieuwe, een andere vorm ‘uit de natuur’, trad op. Eerst zo ijl, dat van een etherische openbaring gesproken kon worden, maar door onafzienbare tijdsperioden steeds meer verdicht, tot zijn sporen in de aardlagen achterbleven en later komende geslachten de overblijfsels ontdekten van primitieve mensvormen, die via allerlei schakels evolueerden naar de thans levende mensheid.

Wat voor gestalten zullen, toen dat eenmaal mogelijk werd, verbonden zijn geweest met de microkosmos met daarin dat litteken van oorspronkelijk leven! Door hoeveel situaties, stervens- en geboortestonden, blijde en droevige, bittere en tragische en ook weer lichtere ervaringen is de microkosmos heengegaan, zonder dat ooit de idee van werkelijk Leven realiteit werd?

Totdat ….door al die ontmoetingen en hun blijvende gevolgen voor het microkosmische systeem, iets van de samenhang van dat alles ging dagen voor de op dat moment in dat systeem aanwezige mens, de beelddrager en belofte van werkelijk leven, harmonie en vrede.

Hierdoor ving er, hoe dan ook, een zoeken aan, een verandering van richting, een zoeken, dat zeker microkosmische incarnaties lang kan duren, tot het proces zo ver is gevorderd, dat in de beelddrager het begrip kan opwaken dat niet hij, maar de andere in hem, de goddelijke vonk, de werkelijke drager is van de mogelijkheid tot echte menswording.

Als het zover gekomen is, spreekt het evangelie van een geboorte, de geboorte in een totaal nieuw levensbesef, verkregen door veel worsteling en door de ondervinding dat deze wereld nooit het oord van volstrekte algehele vrede kan worden dat het gros van de mensen voor ogen staat. Het evangelie geeft deze geboorte een naam. Het spreekt van de geboorte van Johannes, de doper in de grote levenswoestijn.

Johannes getuigt van zichzelf, dat hij niet de Verlosser is. Wel gaat hij voor Hem uit om de paden recht te maken, om te reinigen, om de verzonken menselijke wezenheid geschikt te maken voor het bewandelen van het pad van heiliging en genezing.

Hiermee willen wij zeggen dat ‘Johannes’ een eerste vermogen is, dat ons wordt geschonken vanuit de oorspronkelijke goddelijke natuur, via een in de tijd optredende gnostieke Geestesschool, om met dat vermogen aan het werk te kunnen gaan. Het oeratoom is dan niet latent meer. Het is het centrum waardoor alleen deze kracht kan worden opgenomen.

Nu wordt een nieuwe reeks van ondervindingen ons deel, lang niet altijd gemakkelijk. Maar het gaat nu niet meer om de stupide smarten en tegenslagen in de wereld van de dialectiek, maar om een weg van genezing, van geschikt worden voor een volgende fase. Steeds beter gaan wij onszelf in de confrontatie met deze Johanneskracht kennen.

In deze zelfontdekking en in alle pogingen om wat van het pad van terugkeer terecht te brengen, wordt de mens gelouterd. Ieder die werkelijk in deze zin handelt, ondergaat dat in zijn eigen tempo.

Wij komen tot zelfkennis. Allerlei strijdpunten, angsten, problemen, stokpaardjes en wat dies meer zij, worden gezien naar hun ware aard. Steeds meer komen wij vrij van talloze belemmeringen.

Door dat afstand nemen kan in het menselijke stelsel op den duur een grote rust haar intrede doen. De zo dikwijls optredende conflicten tussen ons denken en ons gevoelen lossen zich op.

De eeuwenoude strijd tussen hoofd en hart neemt een einde. Er komt een groeiende eenheid voor in de plaats. Het gedachteleven, in deze fase gepersonifieerd door Jozef, en het gevoelsleven, voorgesteld als Maria, worden één. Zij vormen een paar. Zij zijn in ondertrouw.

In waarheid luidt de opdracht altijd, dat ieder moet terugkeren naar zijn plaats van herkomst, naar zijn oorspronkelijke uitgangspunt. De meningen daarover lopen echter op chaotische wijze uiteen. Daarom zijn de wegen doorlopend overvol. Niemand kan voor of achteruit. De plaats van herkomst kan door waan in alle streken van het kompas liggen.

Doch als de oproep voor de telling Jozef en Maria bereikt, breken zij op en trekken in grote rust, ver van alle gewoel, naar hun plaats van oorsprong, naar Bethlehem, de stad van David, omdat Jozef uit het huis en uit het geslacht van David was.

Misschien heeft u het wel eens afgebeeld gezien: een man, die met rustige passen zijn weg gaat en een ezel voortleidt aan een touw. De vrouw op de rug van de ezel, in een lang gewaad, geheel in verloren in de overpeinzing van het komende wonder. Heel die afbeelding ademt vrede, rust en eenvoud.

De plaat vertelt niets meer over wat er aan vooraf is gegaan: de worsteling, de niet-aflatende strijd om te midden van het tomeloze beweeg van de talloos vele invloeden van allerlei aard tot deze rust door te breken; na talloze botsingen van de twee naturen in eigen innerlijk het eindelijk volledig ervaren van de dialectiek zoals zij werkelijk is, zonder weerzin of gehechtheid, zonder haat, liefde of ontvluchting; zonder ook maar enige poging haar te veranderen; zonder ook door haar geschroeid te worden; in gelijkmatige ongehechtheid.

Zo, in die aanvangende innerlijke vrede, trekken Jozef en Maria naar Bethlehem. Woorden schieten tekort om uit te drukken hoe diep deze eenheid gaat. Zij hoort niet meer bij de dialectiek en daarom staat van te voren al vast dat er geen plaats in de herberg zal zijn.

Maar ook reeds bij voorbaat is het weten van Jozef en Maria dienaangaande volkomen geworden, zonder dat het hen verontrust in hun volkomen gerichtheid op de komende nieuwe zielegeboorte. Immers, zij hebben, na alles wat de eonen van het wiel van de tijd hun hebben geleerd, geheel vrijwillig gekozen voor deze weg van terugkeer naar de orde van waaruit hun kleine wereld eenmaal gevallen is.

Zo, in een dagelijks her-kennen en een dagelijks zich her-inneren, keert de mens die het waarlijk verlossende pad van de Lichtbrenger wil gaan, terug naar Bethlehem, naar het broodhuis, om waarlijk gespijzigd te worden met het brood des levens, om op te gaan in een nieuw begin.

Om dit alles tot uitdrukking te brengen, vertelt het evangelie het ons in serene taal. Strijd en afwezigheid van strijd, d.w.z. een groeiende, zich steeds verdiepende innerlijke vrede, kunnen toch niet in een stelsel tegelijk wonen?

Zo komen zij aan in Bethlehem, waar Jezus, de vredevorst, geboren wordt, in doeken gewikkeld en neergelegd in een voederbak. Het begrip ‘doeken’ is van grote diepzinnigheid. ‘Jezus’, de Lichtbrenger en Zaligmaker, kan in deze wereld niet geboren worden.

Het Licht schijnt weliswaar in de duisternis, maar de duisternis kan het niet verstaan. Daarom treedt eerst Johannes op in de woestijn van de duisternis en onwetendheid in ons de paden recht te maken.

Maar als dan het Licht, het Woord van den beginne, geboren wordt, kan de menselijke natuur dat nog niet verstaan. Daarom  wordt deze gestalte in doeken gewonden. Dat wil zeggen dat zijn verschijning en bedoelen worden als brug tot begrip, verklaard in een bepaald woordbeeld, de dramatisering van een innerlijk proces, een gelijkenis, die, als de goddelijke vonk weer tot leven komt, innerlijk naar zijn ware bedoelen door de mens kan worden verstaan.

Dit woordbeeld welt steeds als een fontein uit het eengeworden hoofd en hart op. Daarom wordt er van en over het Licht, de Gnosis, tot ons gesproken, maar de innerlijke totaliteit kunnen wij naar de natuur niet omvatten.

Daarom komt het Licht tot ons als een kind, een pril en teer begin. Daarom wordt dat kind ook neergelegd in een voederbak, opdat zijn manifestatie in de stof een rantsoen voor velen zal worden. Telkens weer klinken deze begrippen in het evangelie door, tot en met de viering van het laatste avondmaal.

De grot of stal waarin de geboorte plaatsvindt, is de aanduiding voor ons hart. Ons gevoel werd wel tot een Maria, en de geboorte kon plaatsvinden, maar dit totaal nieuwe moet nu toch nog volwassen worden en het hele stelsel reinigen en genezen. De grote herschepping moet nog beginnen.

Daarom mag dat bekende kerstlied ‘Stille nacht, heilige nacht’ misschien wel wat mystiek en overgevoelig klinken, maar de eerste regel verkondigt een diepe waarheid. Eerst als onze dialectische nacht van de onwetendheid stil en geheiligd is geworden, kan de Lichtvorst geboren worden.

Dat is, als wij ons verkeerd gerichte koppige denken naar de natuur (de ezel) op stal hebben gezet, samen met de os van de trage gewenning, de sleur van alledag. Het is dan, bij deze geboorte, helemaal feest in ons stelsel.

Er is in ons denken, gevoelen en willen aanbidding en wij bieden het Kind onze geschenken aan: goud, wierook en mirre, al ons inzicht, al onze adel naar de natuur en al onze zeer overvloedige ervaringen. En engelen boodschappen het aan herders, die in de nacht bij hun kudden de wacht houden. Met andere woorden: door de geboorte kan het kosmische Christuslicht rechtstreeks ons denkvermogen beroeren, terwijl tevoren alleen de weg via het oeratoom mogelijk was.

Maar daarmee is de oude natuur nog niet dood. Het gewone leven doet zich weer gelden. Het oude tracht het nieuwe te elimineren: denk aan de kindermoord! Een vlucht volgt, een periode van neutralisatie, totdat het oude zover is afgestorven dat een nieuw initiatief kan doorbreken.

Dit alles kost strijd en uithoudingsvermogen. Steeds weer wordt een beroep gedaan op onze intelligentie. En intelligentie is de som van alles wat de ontelbare eeuwen in ons verwerkelijkt hebben. Zij zal innerlijk onze motieven en onze benadering bepalen. Zij is in de aanvang ons enige richtsnoer.

Alles wat wij hierboven nog maar zeer onvolledig en beknopt hebben weergegeven, heeft te maken met wat de Universele Leer onder ‘het Kerstfeest’ verstaat. Zulk een Kerstfeest viert u maar éénmaal, en die ene maal is voldoende. Mogen wij u in deze zin een waarlijk gezegend Kerstfeest toewensen.

Tijdschrift Pentagram, december 1983

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *