Het droomlied van Olav Åsteson, tekst over inwijding oude stijl voor bezinning tijdens de twaalf heilige nachten

Het droomlied van Olav Åsteson is Noorse tekst die in 1853 is gepubliceerd door dominee M.D. Landstad. Het is gebaseerd op een oud volksverhaal dat verwijst naar koning Olav, die in Noorwegen leefde omstreeks het jaar 1000.

In het lied wordt verteld hoe de hoofdpersoon, Olav Åsteson, op kerstavond (24 december) in slaap valt, en pas dertien nachten later weer ontwaakt (op 6 januari). Tijdens zijn lange slaap heeft hij innerlijke ervaringen die wel wat lijken op die van Dante in het meesterwerk Divina Commedia  (Goddelijke Komedie).

De Divina Commedia van Dante kan worden gezien als een weergave van een inwijdingsweg. Dat geldt ook voor het droomlied van Olav Åsteson. Dit droomlied, dat gebaseerd is op oude-stijl inwijding in de vorm van persoonlijkheidssplitsing,  wordt gebruikt om mee te werken in de kerstperiode van 24 december tot en met 6 januari, de tijd van de zogeheten heilige dagen en heilige nachten.

Volgens Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie, kan de naam Olav Åsteson worden gezien als een mysterienaam die door meerdere generaties werd gedragen. In die zin is Olav Asteson vergelijkbaar met bijvoorbeeld koning Arthur en Christian Rozencreutz.

De Noorse schrijfster Ingeborg Möller-Lindholm (1878-1964) heeft daarover gesprekken gehad met Rudolf Steiner. Een gedeelte uit haar notities luidt:

‘De inhoud van het Droomlied zou veel ouder zijn dan gewoonlijk wordt aangenomen en stamt ongeveer van 400 na Christus. Er leefde toen een grote christelijke ingewijde in Noorwegen. Zijn mysterienaam van Olav Åsteson en het lied beschrijft zijn inwijding. Hij stichtte een mysterieschool in het zuidelijk deel van het land; de naam van de plaats werd niet genoemd.

Oorspronkelijk zou het veel langer zijn geweest en had het twaalf delen, één voor elk beeld van de dierenriem. Dat lied beschreef Olav Åstesons tocht door de sterrenwereld en wat hij daar zag en beleefde.

De huidige overlevering bevat slechts resten van het oorspronkelijke lied. De genoemde mysterieschool bestond nog tot in de vroege middeleeuwen en de leider werd altijd Olav Åsteson genoemd.‘

Er zijn meerdere versies en vertalingen van het droomlied van Olav Åsteson. Uitgeverij Christofoor gaf in 2014 een Nederlandse versie uit van 36 strofen die uit het Noors is vertaald door Huib Lammers. Die versie bestaat uit zeven delen. Hieronder volgen de eerste twee delen daarvan.

I

Wilt gij luisteren naar mijn lied
van een koen ruitersman?
Zijn naam is Olav Åsteson,
geslapen heeft hij lang.
En dat was Olav Åsteson,
geslapen heeft hij lang.

Hij legde zich op kerstavond neer
en slaap kreeg hij zo sterk;
ontwaakte niet voor de dertiende dag
toen ‘t volk al ging ter kerke.
En dat was Olav Åsteson,
geslapen heeft hij lang.

Hij legde zich op kerstavond neer,
geslapen heeft hij lang;
ontwaakte niet voor de dertiende dag
bij het eerste vogelengezang.
En dat was Olav Åsteson,
geslapen heeft hij lang.

Ontwaakte niet voor de dertiende dag
toen de zon o pde heuvels scheen;
toen zadelde hij zijn snell paard,
hij wilde ter kerke heen.
En dat was Olav Åsteson,
geslapen heeft hij lang.

Toen zadelde hij zijn snelle paard
en wilde ter kerke heen;
hij deed zijn gouden gordel om
die wijd door de wereld scheen.
En dat was Olav Åsteson,
geslapen heeft hij lang.

De priester aan het altaar stond,
las lang uit de missalen;
Olav zat aan de kerkedeur
om van zijn droom te verhalen.
En dat was Olav Åsteson,
geslapen heeft hij lang.

De priester aan het altaar stond
en sprak van geleerde dingen,
keek op toen hij zijn gordel zag,
vergat te lezen en zingen.
En dat was Olav Åsteson,
geslapen heeft hij lang.

Oude mannen en jonge,
aandachtig luistert elk,
terwijl hij, Olav Åsteson,
nu zijn dromen vertelt.
En dat was Olav Åsteson,
geslapen heeft hij lang.

II

Ik legde mij op kerstavond neer
en slaap kreeg ik zo sterk;
ontwaakte niet voor de dertiende dag
toen ‘ volk al ging ter kerke.
Want de maan schijnt
en de wegen wijken zo ver.

Ik ben tot hoog in de wolken geweest
en diep in de zee gegaan;
hem die mijn voetspoor volgen wil
zal het blijde lachten vergaan.
Want de maan schijnt
en de wegen wijken zo ver.

Ik ben tot hoog in de wolken geweest
en diep in het zwarte slijk;
ik heb de hete hel gezien
en een deel van ‘t hemelrijk.
Want de maan schijnt
en de wegen wijken zo ver.

Ik voer al over ‘t gewijde water
en over diepe dalen;
hoor het water en zie het niet,
het moet stromen onder de aarde.
Want de maan schijnt
en de wegen wijken zo ver.

Ik ben zo afgemat en moe
en vuur brandt in mijn mond;
hoor het water en krijg het niet,
het moet stromen onder de grond.
Want de maan schijnt
en de wegen wijken zo ver.

Niet hinnikte daar mijn zwarte paard,
net blafte daar mijn hond,
niet zongen de vogels hun morgenlied,
dat docht mij wel een wonder.
Want de maan schijnt
en de wegen wijken zo ver.

Ik weet van ieder ding wel iets
en wijs was ik, naar ik meende;
ik was lang onder de aarde –
de dode, dacht ik, kende vrede.
Want de maan schijnt
en de wegen wijken zo ver.

Bron: De twaalf heilige nachten – het droomlied van Olav Åsteson van Frans Lutters

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *