De legende van Sir Percivale van Tennyson

Ferdinand Leeke . Parsifal en de queeste naar de heilige graal

Toen Galahad op ‘de gevaarlijke zetel’ plaatsnam, was het of de bliksem insloeg … en een lichtstraal , zeven maal stralender dan het daglicht, verlichtte de ridderzaal. Met deze lichtstraal kwam de heilige Graal, geheel omgeven door een lichtende wolk, en niemand kon zien wie hem droeg. Daarop zwoeren de ridders een eed, de graal te gaan zoeken en deze queeste gedurende en vol jaar niet te verzaken.

Toen koning Arthur enige tijd later op Carleon terugkwam van een strafexpeditie, werd hij zeer boos bij het vernemen van dit nieuws. Hij gaf de ridders duidelijk te verstaan dat zij niet wisten welk onheil deze onbezonnen eed zou kunnen veroorzaken, en dat de meesten van hen slechts dwaallichten zouden volgen.

Voor het vertrek van de ridders was er een groot toernooi, waarin Galahad en Percivale de prijzen wegdroegen. De volgende dag vertrokken zij. Heel Camelot was uitgelopen om hen uit te zwaaien, schone jonkvrouwen strooiden bloemen op de weg en bevalen hen Gode aan in hun gebeden.

Percivale, die het allemaal aanzag, en zich zijn triomfen bij het toernooi herinnerde, voelde trots in zijn hart. Nooit scheen de hemel hem zó blauw, noch de aarde zó zoet; hij was er zeker van de heilige graal te zullen vinden. Maar toen herinnerde hij zich de woorden van koning Arthur, en elk kwaad woord ooit door hem gesproken, elke slechter gedachte, ooit door hem gedacht, elke verkeerde handeling, ooit door hem begaan, werden voor hem geplaatst en ze riepen hem toe: ‘de queeste is niet voor jou …’

Toch vervolgde hij zijn weg. En toen hij dacht van dorst om te komen, ontwaarde hij een prachtige tuin met een beek en bomen, die heerlijke vruchten droegen. Hij zei tot zichzelf: ‘Ik ben toch de queeste niet waardig, ik ga hier rust nemen.’ Maar toen hij wilde eten en drinken
van de vruchten en het water verviel alles, de tuin, de vruchten en het water, tot stof en hij bleef alleen met zijn dorst.

Hij zag een schone jonkvrouw, die medelijdend haar armen voor hem opende en tegen hem zei: ‘Rust uit bij mij’ Maar toen hij in haar armen viel, verviel zij tot stof.

Hij kwam bij een sterke stad, mooi en rijk, waar iedereen hem toeriep: ‘Welkom Percivale! Grootste en reinste van alle ridders!’ … Toen hij de stad binnenging vond hij slechts ruines en een stokoude man, die tot stof verviel toen hij hem wat wilde vragen. En Percivale bleef met
zichzelf alleen…

Hij schreeuwde het uit in zielepijn: ‘Zelfs als ik de heilige Graal mocht vinden en hem zou willen aanraken, hij zou tot stof vergaan.’ Hij was mager en zwak geworden door alle beproevingen, maar het visioen van de heilige Graal verscheen hem niet.

Eens kwam hij bij een mooie stad, waar bevallige, lieve meisjes hem van zijn wapenrusting ontdeden en hem voor hun koningin brachten. Deze koningin was niemand anders dan de geliefde van Percivale uit zijn jeugd. Zij was getrouwd geweest met de koning van deze rijke stad. De koning was gestorven en al zijn landen en rijkdommen behoorden nu toe
aan de koningin-weduwe. De oude liefde van Percivale herleefde in hem en ook de koningin van haar kant voelde de vroegere liefde weeropbloeien in haar hart. Alle inwoners juichten deze liefde toe en zeiden tegen Percivale: ‘Trouw met onze koningin, regeer over ons. U
zult als Arthur zijn in ons koninkrijk.’

Percivale had het zeer naar zijn zin. Maar op zekere dag bezorgde de eed, afgelegd in de ridderzaal van Carleon, hem wroeging … en hij vluchtte. Hij kwam bij een kluizenaar en vertelde zijn geschiedenis. ‘O, mijn zoon,’ zei de heilige man, ‘gij zijt niet in het bezit van de ware nederigheid, het kleed dat de Heer van alle leven droeg. Ge hebt uzelf niet verloren om het Zelf te redden, zoals Galahad wel heeft gedaan.’

Juist op dit ogenblik verscheen Galahad en beiden woonden daarna de dienst van de kluizenaar bij, waarbij alleen Galahad de Graal zag. Na de dienst zei Galahad tegen Percivale: ‘Het uur is nu gekomen. Ik ga van hier naar boven. Men zal mij tot koning kronen, ver weg, in de geestelijke stad. Ga met mij mee, want ge zult het visioen van de heilige graal zien als ik vertrek.’

Toen beklommen zij een berg. Onweer en dood dreigden van alle kanten. Rondom strekte zich een groot, zwart, stinkend moeras tot aan de verre einder uit, wit bezaaid met de botten van mensen. Oversteken was alleen mogelijk over een smalle brug. Bliksemsnel ging Galahad er
overheen. Achter hem ging de brug in vlammen op.

Percivale kon Galahad niet volgen. Maar hij zag de hemel opengaan en hij hoorde de rollende donder als het juichen van de Zonen Gods. Aan de einder ontwaarde hij ‘de geestelijke stad‘ in volle glorie, als een schone, zuivere parel. En eindelijk verscheen hem de heilige Graal, als een roos boven het hoofd van Galahad. En de graal werd één met de ster, die haar zegevierende licht over de torens van de stad spreidde.

Ook Lancelot en Bors vonden de Graal, maar ieder op een andere manier. De ridders ondergingen niet allen dezelfde beproevingen op hun pad. Iedere zoeker maakt zijn eigen queeste en iedere zoeker aanschouwt zijn eigen Graal.

Bron: Montréalp de Sos, De Graalburcht van A. Gadal

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *