De Venus-inwijding van de eerste zevenkring van het christelijke inwijdingsmysterie, Dei Gloria Intacta

Venus wordt in de occulte wijsbegeerte altijd een groot mysterie genoemd, en ook de nieuwe Venus is ongetwijfeld gehuld met een groot geheimenis. We zullen een poging wagen om dat geheimenis van de vierde inwijding in de zevenvoudige zonneketen te verstaan.

Venus is een vrouwelijk symbool en in de astrologie heerseres van Taurus en Libra, dat wil zeggen dat Venus heerseres over en wachteres is bij ene ontzagwekkende schatkamer (Taurus), en de daarin opgehoopte schatten moeten volgens het goddelijke rechtsprincipe op de juiste wijze worden doorgegeven aan de mensheid (Libra).

De Mercurius-inwijding heeft het nieuwe denken ontstoken; de Venus-inwijding openbaart het nieuwe gevoelswezen, namelijk een op de hoge rede gebaseerd gevoel. De Mercurius-inwijding was de aanleidende oorzaak voor de vernieuwing van het hoofdheiligdom; de Venus-inwijding zal zorg gaan dragen voor de vernieuwing van het hartheiligdom. Mercurius stelde een mannelijk aanzicht, Venus ontwikkelt een vrouwelijk aanzicht, respectievelijk hoofd en hart.

Zodra deze twee inwijdingen in het leven van de leerling tot een feit geworden zijn, zien we hoe de twee pilaren voor de nieuwe menselijke tempel opgericht staan, ten dienste van de twee heiligdommen van die tempel, namelijk het Heilige (Mercurius) en het Heilige der Heiligen (Venus), of de goddelijke wijsheid die als liefdekracht kan worden geopenbaard.

In alle oude godsdiensten is het Heilige der Heiligen gewijd geweest aan Venus. Het werd aangeduid als het Adytum (zie bijvoorbeeld De Geheime leer). In het Adytum stond een ark of sarcofaag, als zinnebeeld van de schoot van de goddelijke natuur, de schoot van de opstanding, de kuise baringsmogelijkheid van een grote heerlijke kracht.

In het betrokken heiligdom van de menselijke tempel zien we de ark als het thymusorgaan, dat een geweldige rol speelt in de stralingswerkzaamheid van het sternum.

In de uiterlijke tempelheiligdommen had de ark dikwijls de vorm van een schip, waarmee men reizen kon maken over de woelige zee van de lagere natuur, ten einde aan de rampen van een zondige wereld te kunnen ontkomen. Denk in dit verband aan de ark van Noach, die dezelfde idee tot uitdrukking brengt. De goddelijke wijsheid heeft de leerling ontmoet (Mercurius) en nu gaat de goddelijke kracht hem in staat stellen die wijsheid uit te dragen onder de mensen. Dat is Venus!

Zodra het licht op de berg Nebo is ontvangen en de leerling het hoofdheiligdom (Het Heilige) heeft ontledigd naar de natuur, gaat God hem in het hartheiligdom (het Heilige der Heiligen) lijfelijk ontmoeten.

Uit de ‘ark’ stijgt omhoog den nieuwe Venus als een grote liefdekracht, en zij vergezelt de boodschapper van de goden op zijn verre reizen over het aardse levensveld.

Men zegt terecht dat Venus ook staat voor aardse liefde, doch deze liefde is niet begrepen. Ze is verkronkeld, geschonden en besmeurd.

De liefdekracht van de nieuwe Venus is een grote magische kracht. Als de nieuwe Mercurius zijn zending vervult, straalt vanuit de thymus als een fonkelend edelgesteente, en als het centrale brandpunt van het Heilige der Heiligen, waarvan het voorhangsel door de lichtaanraking van de vierde inwijding gescheurd is, een intense zevenvoudige kracht naar buiten. En ieder die door deze zevenvoudige straling getroffen wordt, reageert tot een opstanding of tot een val. Er is geen mensenkind dat eronderuit komt. Het is de goddelijke kracht die in de mens wordt getransmuteerd, om daarna tot de mensheid te gaan als de dienende liefde.

De ouden hebben altijd van deze Venuswerking geweten, doch Venusdienst is ontaard in het lagere leven, in de fallusdienst.

Zoals door de liefdekracht van de lagere natuur, door de afgodendienst aan de lagere Venus, nagenoeg het gros van de mensheid gevangen werd, zo zal door de liefdekracht van de nieuwe Venus de daarvoor vatbare mens moeten ontwaken tot het hogere leven.

Deze arbeid is zeer zwaar en moeitevol, doch ook al drinkt de leerling te dien einde uit de bittere lijdenskelk en behoort hij als zodanig tot de gemeente van Smyrna; ook al maakt het zwart gevloekte hem bij voortduring de arbeid nagenoeg onmogelijk, de stagnaties zijn schijnbaar.

Het resultaat van deze arbeid is niet als het neerzinken in het niets, zoals in het dialectische opgaan, blinken en verzinken, maar door de werkzaamheid van de nieuwe Venus zijn de bindingen op den duur blijvend en zal de arbeid steeds krachtiger dan ooit tevoren kunnen worden voortgezet.

De leerling die uit deze beide inwijdingen leeft en werkt is schatrijk. Inderdaad, hij drinkt uit de bittere lijdenskelk (Smyrna), doch zijn beproeving zal nooit langer kunnen duren dan tien dagen. Dat wil zeggen, dat de arbeid in de ware geest en met de ware kracht aangevangen een proces is, dat altijd eindigen met in een overwinning.

Het ware werk in dienst van het Licht is nimmer een altijddurende bron van lijden en verdriet, doch eenmaal begonnen zal het zijn voldoening beleven. He wordt tot zijn volheid gevoerd. Begonnen uit het Licht, zal het met zijn oogst tot het Licht terugkeren. Dat is de betekenis van het getal ‘tien’.

In de derde inwijding heeft de leerling vooral te kampen met de smart van de begrenzingen (Efeze). Tijdens de processen van de vierde inwijding drinkt hij, zoals nu wellicht begrepen, met volle teugen uit de bitterheid van de lijdenskelk (Smyrna). Immers het gehele aardse en lagere gevoelsleven moet worden uitgebrand, opdat de zuivere liefde van God zal kunnen wonen in het mensenhart. En daarom zegt de stem van hem die dood geweest is en weer levend is geworden, de hemelse mens dus: ‘Ik weet uw werken, en verdrukking en armoede, doch gij zijt rijk – onmetelijk rijk.’

‘Ik ken de lasteringen van degenen die trappen op uw hart en u sleuren door het slijk. Zij zeggen dat zij Judeeërs zijn (dat wil zeggen zonen van de Leeuw, zonen van Christus), doch zij zijn het niet, maar een synagoge van de satan.’

‘Vreest geen van deze dingen, want deze reactie is begrijpelijk. De lagere mens die door de goddelijke liefde ontdekt wordt, gaat tekeer als een woedend dier.

Hier grijpen twee processen in elkaar. De reactie van wereld en duisternis op de arbeid van het Licht en het uitbranden van het dialectische gevoelswezen van de leerling. Dit gehele proces moet tot een volheid komen. Tien dagen zal het duren. ‘Zijt getrouw en ik zal u de kroon van het leven geven.’ Immers wie het brood van het leven eet zal tot volle wasdom komen en in volstrekte levensglorie uitbreken.

‘Wie overwint zal van de tweede dood onmogelijk beschadigd kunnen worden.’ Alle mensen zijn door de eerste dood van het hemelse lichaam beschadigd. Toen de mensheid door het overtreden van de goddelijke levenswetten in de lagere wereld verzonk, moest de ware hemelse gestalte achterblijven. Zij verzonk als in een doodslaap.

Doch de leerling heeft in dit stadium van zijn ontwikkeling de hemelse mens opgewekt, deze heeft zich lijfelijk aan zijn bewustzijn getoond. Zulk een leerling zal van de tweede dood van de hemelse mens niet beschadigd worden.

De tweede dood van de hemelse mens sterft hij, die straks in de oogstperiode van de drieëndertigste bedeling niet gereed blijkt te zijn om ontheven te worden aan de aardse natuur.

De leerling zal door de tweede dood niet beschadigd kunnen worden; de kosmische, atmosferische en structurele veranderingen van de komende tijden zullen hem niet kunnen deren.

Hij heeft de Christus ontmoet in zijn aurische sfeer; hij gaat in in het nieuwe leven.

Bron: Het christelijke inwijdingsmysterie van Jan van Rijckenborgh

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *