Sattva, rajas en tamas – de drie guna’s of hoedanigheden van de Bhagavad Gita – zuiverheid, passie en onwetendheid

Shri Krishna 

1. Nu zal Ik u de Wijsheid openbaren die boven kennis staat en met behulp waarvan de wijsgeren Volmaking hebben bereikt. 

2. Terwijl zij in Wijsheid verblijven en Mijn Godheid realiseren, worden zij niet wedergeboren als het heelal weer opnieuw geschapen wordt bij het begin van iedere kringloop en evenmin worden zij vernietigd als het heelal weer wordt opgelost. 

3. De Grote Prakriti is de Moederschoot, waarin Ik het zaad plant waaruit alle wezens geboren worden, O Prins! 

4. O roemrijke zoon van Kunti! Door welke moederschoot de mensen ook geboren worden, het is Prakriti zelf die hen ontvangt en Ik ben hun Vader. 

5. Sattva, Rajas en Tamas zijn de Guna’s die de Wet der Natuur (Prakriti) voortbrengt. Zij zijn het die de vrije Geest in alle wezens aan banden leggen. 

6. O zondeloze! Van deze drie is het Zuiverheid (Sattva), die lichtgevend, sterk en onkwetsbaar is, die de mensen bindt door haar verlangen naar geluk en inzicht. 

7. Passie (Rajas), voortgebracht door dorst naar genot en gehechtheid, bindt de ziel doordat zij een liefhebster is van activiteit. 

8. Maar Onwetendheid (Tamas), het product van duisternis, stompt de zinnen in alle belichaamde wezens af en bindt hen met de ketenen van onwetendheid, luiheid en diepe slaap. 

9. Zuiverheid (Sattva) brengt geluk, Passie (Rajas) brengt opwinding en Onwetendheid (Tamas) verduistert de wijsheid en leidt tot een leven van mislukkingen. 

10. O Prins! Zuiverheid heeft de overhand als Passie en Onwetendheid overwonnen zijn; Passie heeft de overhand als Zuiverheid en Onwetendheid overwonnen zijn; en Onwetendheid heeft de overhand als zij Zuiverheid en Passie overwint. 

11. Als het licht van kennis uit alle poorten van het lichaam naar buiten straalt, dan kunt ge er zeker van zijn dat Sattva de overhand heeft. 

12. O beste van alle Indiërs! Hebzucht, de prikkel tot handelen en het begin van de handeling zelf, moeten toegeschreven worden aan de overheersing van Rajas. 

13. Duisternis, stilstand, wanbegrip en misleiding zijn het resultaat van de overheersing van Tamas. 

14. Als Sattva de overhand heeft, gaat de ziel, wanneer zij het lichaam verlaat, over naar de zuivere regionen waar diegenen wonen die het Hoogste kennen. 

15. Als Rajas de overhand heeft, wordt de ziel wedergeboren onder degenen die van activiteit houden; 

16. Als Tamas heerst, komt zij in de moederschoot van hen die onwetend zijn. 

17. Men zegt dat de vrucht van een verdienstelijke handeling vlekkeloos is en vol van Sattva; het resultaat van Rajas is verdriet, dat van Tamas duisternis. 

18. Sattva brengt Wijsheid voort, Rajas hebzucht en Tamas onwetendheid, wanbegrip, misleiding en duisternis. 

19. Als Sattva toeneemt, dan verheft een mens zich; als Rajas toeneemt, is er noch ontwikkeling noch ontaarding; als Tamas toeneemt, is hij verloren. 

20. Zodra een mens begrijpt dat het alleen de Guna’s zijn die handelen en niets anders en als hij DAT ziet wat hoger is dan de Guna’s, dan bereikt hij Mijn goddelijke natuur. 

21. Als de ziel de Guna’s te boven komt, die de ware oorzaak zijn van het fysieke bestaan, dan wordt hij bevrijd van geboorte en dood, van ouderdom en verdriet en drinkt hij met volle teugen de nectar van onsterfelijkheid.

Arjuna 

22. Mijn Heer! Aan welke tekenen kan hij die de Guna’s te boven is gekomen, herkend worden? Hoe handelt hij? Hoe leeft hij? 

Shri Krishna 

23. O Prins! Hij die de Guna die aanwezig is, niet schuwt en niet verlangt naar dat wat afwezig is; 

24. Hij die een neutrale houding bewaart, hij die zich niet laat verstoren door de Guna’s, hij die zich realiseert dat het alleen maar de Guna’s zijn die handelen en kalm blijft; 

25. Hij die genot of pijn aanvaardt zoals het komt, die heeft zich in het middelpunt van zijn Zelf gevestigd; voor wie een stuk klei of een steen of goud hetzelfde is, die noch genegenheid noch afkeer heeft, die standvastig is, even onverschillig voor lof als voor afkeuring; 

 26. Die eer en schande met gelijke ogen beziet, die vriend en vijand even lief heeft, die alle initiatief laat varen, zo is hij die de Guna’s te boven is gekomen. 

 27. En hij die alleen Mij dient, met onwankelbare toewijding, zal de Guna’s te boven komen en Eén worden met het Eeuwige. 

28. Want Ik ben het Tehuis van Brahman, de nooit ophoudende bron van onsterfelijkheid, van eeuwige rechtvaardigheid en van oneindige Vreugde. 

Dit is het einde van het veertiende hoofdstuk, getiteld: De Drie Guna’s. 

Bron: Bhagavad Gita, hoofdstuk 14

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *