De Divina Commedia van Dante Alighieri (1265-1321) geldt als een van de machtigste literaire scheppingen die de Europese cultuur heeft voortgebracht. In een onovertroffen poëtische stijl worden diepzinnige inzichten over religie en politiek, over liefde en vrijheid kristalhelder verwoord.
Dante laat de gebeurtenissen in zijn gedicht spelen rond Pasen van het jaar 1300, dus actueel, tijdens zijn eigen leven.
Uit de kruistochten tegen de Albigenzen die Innocentius III in 1209 kan uitroepen, blijkt hoe groot de wereldlijke macht van de kerk van Rome in de middeleeuwen is. Na de kruistochten wordt de inquisitie ingesteld, die tot in de veertiende eeuw belast is met het opsporen en berechten van aan de kruistochten ontsnapte Katharen. Executie van Katharen die weigeren zich te bekeren tot het katholieke geloof geschiedt in de regel door middel van openbare verbranding. Crematies van levenden, die Dante, zoals hij in zijn Komedie getuigt, met eigen ogen heeft gezien.
Vele decennia is het daarom levensgevaarlijk uit te komen voor Kathaarse overtuiging of opvattingen en voor iedereen met Kathaarse sympathieën is de meest voor de hand liggende en wellicht zelfs enige manier om te overleven: het veinzen van praktiserend katholicisme.
Naar inmiddels gebleken is, heeft ook Dante zich op deze wijze vermomd en wel op zo’n geniale wijze, dat zijn ware aard – Kathaar – eeuwenlang onopgemerkt is gebleven en dat tot op de dag van vandaag velen er van uit gaan dat zijn katholieke kledij overeenstemt met zijn innerlijke overtuiging.
In de negentiende eeuw wijst de vanuit Italië verbannen Gabriele Rossetti – vader van de bekende schilder Dante Gabriel Rossetti – al op de juist sterk anti-katholieke passages in de Divina Commedia en ook zijn Franse tijdgenoot Eugène Aroux geeft er in zijn boek uit 1854: Dante hérétique, révolutionnaire et socialiste, révélations d’un catholique sur le Moyen Âge blijk van een scherp oog te hebben, niet alleen voor de anti-katholieke maar ook voor de pro-Kathaarse uitingen van Dante.
Een eeuw later bestempelt J. van Rijckenborgh in De Universele Gnosis (Rozekruis Pers Haarlem, 1950) de Divina Commedia als “een ongerept, waarachtig gnostiek werk”.
Betrekkelijk recent is deze visie op Dante en zijn levenswerk opnieuw en op eigentijdse wijze onder de aandacht gebracht door de Italiaanse onderzoekster Maria Soresina (1940-2024).
Op YouTube gaat zij in tien video’s over de Divina Commedia specifiek in op Dante als Kathaar. Gelukkigerwijs zijn deze video’s voorzien van Engelse ondertiteling. Bovendien zijn er naast de Italiaanse boeken van haar hand ook twee uitgaven in het Engels verschenen, te weten: Dante’s Hidden Philosophy. The Secret Worldview in The Divine Comedy, Milano, Colibrì, 2023 en Dante the Heretic, An exploration of Cathar Beliefs in the Divine Comedy, Vernon Press.
- Dante and the Cathars – The Cathar Heresy
- Dante and the Cathars- Farinata degli Uberti
- Dante and the Cathars – Marco Lombardo
- Dante and the Cathars – Dualism and Creation
- Dante and the Cathars – Jesus Christ and the Cross
- Dante and the Cathars – Reincarnation
- Dante and the Cathars – No Sacraments
- Dante and the Cathars – The Consolamentum
- Dante and the Cathars – Beliefs and Customs
- Dante and the Cathars – Lies and Liberty
Soresina’s uitgangspunt is eenvoudig: als er in Dante’s tijd zoveel katharen in Italië waren, waarom lijkt Dante er dan nauwelijks over te spreken? Haar antwoord: omdat hij er niet openlijk over kón spreken. Goed over de katharen schrijven was levensgevaarlijk en slecht over hen schrijven wilde hij niet. Daarom heeft hij het Kathaarse gedachtegoed verstopt in beelden, personages, woordkeus en theologische afwijkingen.
In het oog springend voor zijn commentatoren is dat Dante opvallend veel “ketters” en kerkelijk omstreden figuren niet zonder meer veroordeelt. Zo plaatst hij ge-excommuniceerden in het voorportaal tot de Louteringsberg. In de zesde hellekring, bestaande uit een grafveld met brandende sarcofagen, ontmoet Dante Farinata degli Uberti, de trotse Florentijnse Ghibellijn. Farinata was Kathaars, net als de vader van Dante’s vriend Guido Cavalcanti, die zich in dezelfde sarcofaag bevindt. Dat Dante hen “Epicureeërs” (volgelingen van Epicurus) noemt, is volgens Soresina niet zomaar een filosofisch label, maar een directe, zij het enigszins verhulde, verwijzing naar katharen. Farinata werd postuum veroordeeld wegens ketterij. Zijn doodskist werd door de inquisitie opgegraven en in Florence publiekelijk verbrand. Het beeld van de brandende sarcofagen in deze hellekring gaat dus terug op wat Dante als jongeman gezien zal hebben. De helscène krijgt daarmee een historische lading: “passende straf” in een verbeelding van de bizarre vervolgingen op aarde.
Ook Kathaars is Soresina’s kijk op Marco Lombardo in Purgatorio. In het midden van de Commedia houdt deze Marco een belangrijk betoog over vrije wil, kerkelijke corruptie en de noodzaak om geestelijke en wereldlijke macht te scheiden. Commentatoren zagen in hem meestal een onbekende hoveling uit Lombardije. Soresina denkt dat het gaat om een Kathaarse bisschop, leider van de kerk van Concorezzo, volgens historische bronnen destijds de grootste Kathaarse gemeente in Italië. Dat Marco de Rooms-Katholieke Kerk “de Kerk van Rome” noemt, is voor haar veelzeggend: katharen zouden die term hebben gebruikt tegenover de ware kerk van liefde: “Roma” gelezen als omkering van “Amor”. Of men deze bewijsvoering overtuigend vindt of niet, zij leert de lezer wel om niet vreemd op te kijken van Dante’s politieke kritiek. Zijn woede tegen de kerk is niet slechts moreel, maar structureel: de kerk heeft haar geestelijke taak verkwanseld voor macht en bezit.
Soresina’s meest theologische punt betreft de schepping. In de katholieke geloofsbelijdenis is God schepper van alle zichtbare en onzichtbare dingen. De katharen denken dualistisch: zij maken een scherp onderscheid tussen geest en materie. De materiële wereld is niet eenvoudig Gods zuivere schepping. Volgens Soresina sluit Dante daar opvallend bij aan. In Paradiso laat hij Beatrice spreken over wat God werkelijk schept: eeuwige, spirituele werkelijkheden. Voor stoffelijke vorming gebruikt Dante andere woorden en andere tussenmachten, zoals hemelen en engelen. Dat lijkt misschien een subtiel taalverschil, maar voor Soresina is het beslissend: Dante’s kosmos is stukken minder katholiek dan hij lijkt.
Ook rond Christus ziet zij afwijkingen. Dante toont Christus als licht, als voorbeeld, als weg naar God — maar volgens Soresina niet als de God-mens die in orthodoxe zin de zonden van de wereld wegneemt. In het slotvisioen van Paradiso ziet Dante in de tweede cirkel van de Drie-eenheid een menselijk gezicht. De traditionele uitleg zegt: dat is Christus. Soresina vraagt: waarom zou het niet de mens zelf zijn? Of zelfs Dante zelf? Dan wordt het einde van de Commedia niet alleen een aanbidding van God, maar ook een visioen van de menselijke bestemming: de mens ontdekt zijn goddelijke oorsprong en wordt er één mee.
Een ander opvallend spoor is de omgang met sacramenten. De katharen verwierpen de katholieke sacramenten. Zelf kenden zij maar één sacrament: het consolamentum. Soresina wijst erop dat de eucharistie en de mis in de Commedia opmerkelijk afwezig zijn. De biecht wordt eerder ironisch dan eerbiedig behandeld. En de doop blijkt niet altijd doorslaggevend voor verlossing: Dante plaatst zelfs de heidense Ripheus in het paradijs. Wat telt, is niet het kerkelijke ritueel, maar de innerlijke weg.
Daarom vormt voor Soresina Purgatorio de sleutel tot de hele Komedie. De tocht over de Louteringsberg verbeeldt volgens haar niet de loutering in het katholieke vagevuur, maar vormt een poëtische weergave van de Kathaarse weg naar het consolamentum, de weg der sterren. Dante gaat door fasen van voorbereiding, zuivering en inwijding. In het aardse paradijs wordt hij door de Lethe geleid en omringd door vier vrouwen die hem aanraken. Waar commentatoren meestal een kruisvorm zien, ziet Soresina een handoplegging – een sacraal moment in de bediening van het consolamentum. Beatrice krijgt daarbij een nieuwe betekenis. Zij is niet simpelweg Dante’s gestorven geliefde, maar het hemelse deel van zijn eigen ziel, zijn transcendente ik, dat hem na de geestelijke inwijding verder naar God leidt.
Soresina leest zelfs kleine details als Kathaarse signalen: het ontbreken van kerken en missen, Dante’s terughoudendheid met heiligenverering, zijn aandacht voor innerlijke vrijheid, zijn felle kritiek op priesters, en misschien zelfs zijn beschrijving van gulzigaards die worden gevild en gevierendeeld — een straf die volgens haar “passend” wordt als deze gezien vanuit het Kathaarse vegetarisme.
De gnostieke visie op de Komedie kan niet onomstreden zijn. Echt “wetenschappelijk bewijzen” dat Dante een belijdend Kathaar was is onmogelijk. Maar Soresina laat zien dat de Commedia minder braaf en minder kerkelijk is dan vaak wordt aangenomen. Dante schrijft niet als een gehoorzame spreekbuis van een instituut. Hij schrijft als dichter van de vrijheid: vrijheid tegenover angst, tegenover kerkelijke macht, tegenover geestelijken die tussen mens en God gaan staan en als zodanig, zoals Aroux terecht stelt: als revolutionair.
Dat is de kern van “Dante the Heretic”. Bij Soresina wordt de Divina Commedia geen museumstuk van middeleeuwse orthodoxie, maar een gecodeerd boek van verzet. Een tekst die vraagt of de weg naar God werkelijk via macht, sacrament en gehoorzaamheid aan dogma’s loopt of via kennis, liefde, innerlijke zuivering en de daardoor verworven vrijheid. Juist daarom blijft haar Dante zo fascinerend: niet omdat hij minder religieus is, maar omdat hij religie naar haar oorspronkelijke bedoeling verbeeldt als de weg naar volkomen vrijheid.
LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN OVER DANTE
