Dante, de ketter? Maria Soresina’s verrassende interpretatie en duiding van de Divina Commedia

LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN OVER DANTE

Dante Alighieri geldt als een van de grote pijlers van de Europese cultuur. Zijn Divina Commedia (De goddelijke komedie) wordt vaak gelezen als een machtig christelijk bouwwerk: hel, louteringsberg en paradijs vormen samen een tocht van zonde naar verlossing, van menselijke verwarring naar goddelijk licht. Maar volgens de Italiaanse onderzoekster Maria Soresina is er iets opvallends aan de hand. Wie Dante alleen als orthodox-katholiek dichter leest, mist volgens haar een verborgen laag. In haar ogen is de Commedia doortrokken van kathaarse ideeën. Sterker nog: de titel van haar Engelstalige boek zegt het zonder omwegen: Dante the Heretic — Dante de ketter.

Dat klinkt provocerend, en dat is het ook. De katharen waren een middeleeuwse christelijke beweging die door de Rooms-Katholieke Kerk als ketters werd vervolgd. Zij leefden vooral in Zuid-Frankrijk en Noord-Italië, precies de culturele wereld waarin Dante zich bewoog. Soresina’s uitgangspunt is eenvoudig maar spannend: als er in Dante’s tijd zoveel katharen in Italië waren, waarom lijkt Dante er dan nauwelijks over te spreken? Haar antwoord: omdat hij er niet openlijk over kón spreken. Goed over de katharen schrijven was gevaarlijk; slecht over hen schrijven wilde hij niet. Dus zou hij hun gedachtegoed hebben verstopt in beelden, personages, woordkeus en theologische afwijkingen.

Een van Soresina’s belangrijkste observaties is dat Dante opvallend veel “ketters” en kerkelijk omstreden figuren niet zonder meer veroordeelt. In de zesde hellekring ontmoet Dante Farinata degli Uberti, de trotse Florentijnse Ghibellijn. Volgens Soresina was Farinata kathaars, net als Guido Cavalcanti, Dante’s vriend en dichterlijke voorganger. Dat Dante hen “Epicureeërs” noemt, zou volgens haar niet zomaar een filosofisch label zijn, maar een verhulde verwijzing naar katharen. Daarbij wijst ze op het beeld van brandende sarcofagen in de hel. Farinata’s lichaam werd na zijn dood door de inquisitie opgegraven en postuum veroordeeld; zijn doodskist werd verbrand. Dante moet die gebeurtenis als jongeman hebben gekend. De helscène krijgt dan een historische lading: niet alleen straf in het hiernamaals, maar ook herinnering aan vervolging op aarde.

Nog gedurfder is Soresina’s lezing van Marco Lombardo in het Purgatorio. In het midden van de Commedia houdt deze Marco een belangrijk betoog over vrije wil, kerkelijke corruptie en de noodzaak om geestelijke en wereldlijke macht te scheiden. Commentatoren zagen in hem meestal een wat vage hoveling uit Lombardije. Soresina denkt dat het om een kathaarse figuur gaat, mogelijk verbonden met de kerk van Concorezzo, een van de belangrijkste kathaarse gemeenschappen in Italië. Dat Marco de Rooms-Katholieke Kerk “de Kerk van Rome” noemt, is voor haar veelzeggend: katharen zouden die term hebben gebruikt tegenover de ware kerk van liefde — “Roma” gelezen als omkering van “Amor”. Of men deze bewijsvoering overtuigend vindt of niet, zij dwingt de lezer wel om Dante’s politieke kritiek scherper te horen. Zijn woede tegen de kerk is niet alleen moreel, maar bijna systematisch: de kerk heeft haar geestelijke taak verruild voor macht.

Soresina’s meest theologische punt betreft de schepping. In de katholieke geloofsbelijdenis is God schepper van alle zichtbare en onzichtbare dingen. De katharen dachten dualistischer: zij maakten een scherp onderscheid tussen geest en materie. De materiële wereld was niet eenvoudig Gods zuivere schepping. Volgens Soresina sluit Dante daar opvallend bij aan. In het Paradiso laat hij Beatrice spreken over wat God werkelijk schept: eeuwige, spirituele werkelijkheden. Voor stoffelijke vorming gebruikt Dante andere woorden en andere tussenmachten, zoals hemelen en engelen. Dat lijkt misschien een subtiel taalverschil, maar voor Soresina is het beslissend: Dante’s kosmos is minder katholiek dan hij lijkt.

Ook rond Christus ziet zij afwijkingen. Dante toont Christus als licht, als voorbeeld, als weg naar God — maar volgens Soresina niet nadrukkelijk als de God-mens die in orthodoxe zin de zonden van de wereld wegneemt. In het slotvisioen van het Paradiso ziet Dante in de tweede cirkel van de Drie-eenheid een menselijk gezicht. De traditionele uitleg zegt: dat is Christus. Soresina vraagt: waarom zou het niet de mens zelf zijn? Of zelfs Dante zelf? Dan wordt het einde van de Commedia niet alleen een aanbidding van God, maar ook een visioen van de menselijke bestemming: de mens ontdekt zijn goddelijke oorsprong.

Een ander opvallend spoor is de omgang met sacramenten. De katharen verwierpen de katholieke sacramenten, behalve hun eigen geestelijke ritueel: het consolamentum. Soresina wijst erop dat de eucharistie en de mis in de Commedia opmerkelijk afwezig zijn. De biecht wordt eerder ironisch dan eerbiedig behandeld. En de doop blijkt niet altijd doorslaggevend voor verlossing: Dante plaatst zelfs de heidense Ripheus in het paradijs. Wat telt, lijkt niet het kerkelijke ritueel, maar de innerlijke weg.

Daarom is voor Soresina het hele Purgatorio de sleutel. De tocht over de Louteringsberg zou geen gewone katholieke loutering zijn, maar een literaire verbeelding van de weg naar het consolamentum. Dante gaat door fasen van voorbereiding, zuivering en inwijding. In het aardse paradijs wordt hij door de Lethe geleid en omringd door vier vrouwen die hem aanraken. Waar commentatoren vaak een kruisvorm zien, ziet Soresina een handoplegging. Beatrice krijgt daarbij een nieuwe betekenis. Zij is niet simpelweg Dante’s gestorven geliefde, maar het hemelse deel van zijn eigen ziel, zijn transcendente ik, dat hem na de geestelijke inwijding verder naar God leidt.

Soresina leest zelfs kleine details als kathaarse signalen: het ontbreken van kerken en missen, Dante’s terughoudendheid met heiligenverering, zijn aandacht voor innerlijke vrijheid, zijn felle kritiek op priesters, en misschien zelfs zijn beschrijving van gulzigaards die als vlees worden gevild en verscheurd — een straf die volgens haar alleen echt wrang wordt vanuit een vegetarische, kathaarse gevoeligheid.

Natuurlijk blijft dit een omstreden lezing. Soresina bewijst niet dat Dante officieel kathaar was alsof er een lidmaatschapsbewijs bestaat. Haar kracht ligt ergens anders: zij laat zien dat de Commedia minder braaf, minder kerkelijk en veel gevaarlijker is dan vaak wordt aangenomen. Dante schrijft niet als gehoorzame spreekbuis van een instituut. Hij schrijft als dichter van vrijheid: vrijheid tegenover angst, tegenover kerkelijke macht, tegenover geestelijke bemiddelaars die tussen mens en God gaan staan.

Misschien is dat de kern van “Dante, de ketter”. Niet dat Dante simpelweg buiten het christendom staat, maar dat hij het christendom van binnenuit openbreekt. Bij Soresina wordt de Divina Commedia geen museumstuk van middeleeuwse orthodoxie, maar een gecodeerd boek van verzet. Een tekst die vraagt of de weg naar God werkelijk via macht, sacrament en gehoorzaamheid loopt — of via kennis, liefde, innerlijke zuivering en vrijheid. Juist daarom blijft haar Dante zo fascinerend: niet omdat hij minder religieus is, maar omdat hij religie opnieuw durft te denken.