André Roumen over bewustzijn en het Gouden Rozenkruis

BESTEL IK BEN BEWUSTZIJN

In een verdiepend gesprek vertelt André Roumen, auteur van het boek Ik ben bewustzijn, over zijn verbondenheid met het Gouden Rozenkruis. Wat direct opvalt, is dat hij liever niet begint bij de organisatie, maar bij de innerlijke betekenis van het symbool zelf: de roos aan het kruis.

Volgens Roumen is een rozenkruiser niet in de eerste plaats iemand die lid is van een beweging, maar ieder mens die “de roos aan het kruis hecht”. Het kruis symboliseert de verwerkelijking in de stof – het aardse bestaan met zijn vier windrichtingen, het getal vier als teken van manifestatie. De roos daarentegen staat voor het eeuwigheidsbeginsel in de mens: de goddelijke vonk, aanwezig in ieder van ons. Die vonk wordt in de traditie van het Rozenkruis voorgesteld als een rozenknop die zich kan ontvouwen tot een open roos met zeven bladeren – een beeld voor een innerlijk ontwikkelingsproces dat uiteindelijk leidt tot transfiguratie: een totale omvorming van geest, ziel én lichaam.

Dit proces is geen vlucht uit de wereld. Integendeel, benadrukt Roumen. Het gaat om een terugkeer van de goddelijke idee die aan ons bestaan ten grondslag ligt, dwars door de persoon heen die wij zijn. Spiritualiteit is voor hem geen abstract denken, maar een concrete ervaring van wat hij “lichtkracht” noemt. Toen hij zo’n 45 jaar geleden voor het eerst in aanraking kwam met het Gouden Rozenkruis, had hij al een lange weg afgelegd langs boeddhisme, theosofie, antroposofie en meditatie. Toch ervoer hij in de tempels van het Rozenkruis een bijzondere vibratie, een geestkracht die hij elders niet had gevonden.

Die geestkracht overstijgt volgens hem het gewone bewustzijn en zelfs de verheffing die iemand via persoonlijke meditatie kan bereiken. Het gaat om een levend veld, een spiritueel lichaam dat mensen ondersteunt in hun innerlijke groei. Tegelijk is dat veld tijdelijk: het Gouden Rozenkruis bestaat in zijn huidige vorm ongeveer honderd jaar en ziet zichzelf niet als een permanente instelling, maar als een impuls in een groter ontwikkelingsproces.

Een belangrijk thema in het gesprek is de vervreemding van de moderne mens. Volgens Roumen zijn we de verbinding met onze innerlijke kern kwijtgeraakt. Historisch schetst hij hoe het bewustzijn zich ontwikkelde: van een vanzelfsprekende verbondenheid met de geest, via de mystiek van de middeleeuwen, naar het opkomen van het ik-bewustzijn in de zeventiende eeuw. Dat ik-bewustzijn was noodzakelijk voor individualisering, maar heeft ook geleid tot een scheiding tussen geest en materie. In onze tijd is de mens vooral lichaam geworden, voortdurend geprikkeld door informatie en technologie, waardoor de innerlijke stilte en aandacht verloren dreigen te gaan.

De weg terug begint volgens Roumen bij aandacht. Niet door geforceerde zelfverbetering, maar door het helder zien van wat is. Tegenslagen – verlies, ziekte, eenzaamheid – kunnen momenten zijn waarop de mens tot zijn “nulpunt” komt. Daar, in de ervaring van leegte, kan een lichtpunt oplichten: het besef van een onverwoestbaar punt van bewustzijn in zichzelf. Dat punt, die goddelijke vonk, is volgens hem de sleutel tot bevrijding.

Het Gouden Rozenkruis wil niets opleggen, maar slechts helpen die vonk te wekken. Uiteindelijk moet ieder mens zelf “ja” zeggen tegen dit innerlijke proces. Ieder moment is een kans om wakker te zijn, om niet meegevoerd te worden door oordelen en conditioneringen, maar om aanwezig te blijven in het licht van bewustzijn. In die eenvoud, zo suggereert Roumen, ligt de kern van het rozenkruiserspad.

In een openhartig en filosofisch gesprek spreekt André Roumen, auteur van het boek Ik ben bewustzijn, over zijn verbondenheid met het Gouden Rozenkruis. Wat begint als een gesprek over een spirituele beweging, ontvouwt zich al snel tot een diepgaande verkenning van bewustzijn, individualiteit, lijden, incarnatie en de innerlijke weg van de mens. Roumen spreekt niet als vertegenwoordiger van een instituut, maar als iemand die al ruim 45 jaar een innerlijk proces bewandelt dat hij aanduidt als het pad van het Rozenkruis.

Niet de organisatie, maar het symbool

Opvallend is dat Roumen liever niet begint bij het Gouden Rozenkruis als organisatie. Wanneer hem gevraagd wordt wat het Rozenkruis is, verschuift hij de focus naar de symboliek. “Wie is een rozenkruiser?” vraagt hij retorisch. In zijn visie is een rozenkruiser niet per se iemand die aangesloten is bij een bepaalde beweging, maar ieder mens die “de roos aan het kruis hecht”.
Het kruis is volgens hem een oeroud symbool van manifestatie in de stof. Het verwijst naar de vierheid van het aardse bestaan – de vier windrichtingen, de vier elementen – en staat voor verwerkelijking in de materie. De roos daarentegen symboliseert het eeuwigheidsbeginsel in de mens: de goddelijke vonk, een innerlijke kern die niet onderhevig is aan vergankelijkheid.

In de traditie van het Rozenkruis wordt die vonk voorgesteld als een rozenknop die zich kan ontvouwen tot een open roos met zeven bladeren. Dat beeld verwijst naar een innerlijk ontwikkelingsproces waarin zeven kwaliteiten of werkzaamheden tot bloei komen. Dit proces mondt uit in wat Roumen aanduidt als transfiguratie: een totale omvorming van geest, ziel én lichaam.

Transfiguratie is geen ontsnapping aan de aarde, benadrukt hij. Het is geen vlucht in het hiernamaals of een spirituele ontkenning van het fysieke bestaan. Integendeel: het is de realisatie van een goddelijke idee die aan ons bestaan ten grondslag ligt, en die door de persoon heen tot uitdrukking moet komen.

De ervaring van “lichtkracht”

Roumen kwam zo’n 45 jaar geleden voor het eerst in aanraking met het Gouden Rozenkruis. Daarvoor had hij zich al verdiept in uiteenlopende spirituele en filosofische stromingen: boeddhisme, theosofie, antroposofie, oosterse en westerse filosofie, psychologie. Hij had jaren gemediteerd en zocht intensief naar waarheid.

Wat hem in het Rozenkruis trof, was niet zozeer de leer, maar wat hij noemt een “lichtkracht”. In de tempels van het Rozenkruis ervoer hij een spiritueel veld, een vibratie die hij nergens anders had aangetroffen. Spiritualiteit is voor hem geen abstract denken of geloofssysteem, maar een levende geestkracht.

Hij beschrijft dat veld als een “levend lichaam” dat mensen ondersteunt in hun innerlijke groei. Tegelijk is dat veld niet bedoeld om permanent op aarde te blijven. Het Gouden Rozenkruis bestaat in zijn huidige vorm ongeveer honderd jaar en ziet zichzelf als een impuls binnen een groter kosmisch proces. Mensen komen tot een zekere innerlijke volwassenheid, waarna het werk weer verdergaat in andere vormen.

De vervreemding van de moderne mens

Een belangrijk thema in het gesprek is de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn door de eeuwen heen. Roumen verwijst naar de periode tussen 800 en 1300, waarin volgens bepaalde geesteswetenschappelijke visies de directe gevoeligheid voor de geest afnam. In de middeleeuwen keerden mensen zich naar binnen, in de mystiek, om het goddelijke in de ziel te zoeken.

In de zeventiende eeuw ontstond het moderne ik-bewustzijn, onder invloed van denkers als Descartes en Spinoza. Dat ik-bewustzijn was noodzakelijk, stelt Roumen. De mens moest individu worden, een ongedeelde eenheid die niet langer volledig opging in collectieve structuren.

Maar die ontwikkeling had ook een schaduwzijde. Door de scheiding tussen geest en materie – een dualiteit die volgens hem kunstmatig is – raakte de mens afgescheiden van zijn omgeving en ging hij zich egocentrisch ontwikkelen. In onze tijd is die vervreemding verder toegenomen. We zijn volgens Roumen vooral lichaam geworden.

De moderne mens wordt voortdurend geprikkeld door technologie, sociale media en een stroom van informatie. Het zenuwstelsel wordt continu gestimuleerd. We zoeken kleine beloningen – dopamine, serotonine – via onze telefoons en schermen. Die constante prikkeling verzwakt de innerlijke spankracht die nodig is voor bewustwording.

Het resultaat is een verlies van kernbewustzijn. En zonder kernbewustzijn ontbreekt de energie die nodig is voor innerlijke transformatie.

Het nulpunt: door de vloer zakken

De weg naar transfiguratie begint volgens Roumen niet met spirituele ambities, maar met een confrontatie met leegte. “Ieder mens moet een keer door zijn eigen vloer zakken,” zegt hij. Tegenslagen – ziekte, verlies, ontslag, liefdesverdriet – kunnen momenten zijn waarop de mens zijn schijnidentiteit verliest.

In zo’n crisiservaring kan iemand het gevoel hebben in een zwart gat te vallen. Pure depressie, noemt hij het. Maar op de bodem kan een lichtpunt oplichten: het besef van een onverwoestbaar punt van bewustzijn dat niet kan worden afgenomen.

Roumen vertelt hoe hij als jonge man tijdens intensieve meditatie-ervaringen geconfronteerd werd met dreigende innerlijke beelden. Op een cruciaal moment kwam spontaan de gedachte in hem op: “Je kunt me alles afnemen, mijn denken, mijn voelen, mijn lichaam – maar er is iets wat je niet kunt krijgen.” Dat punt van bewustzijn herkende hij later in de leer van het Rozenkruis als de goddelijke vonk.

Dit nulpunt is essentieel. Zolang we vanuit onze geconditioneerde persoonlijkheid vertrekken, blijven we midden in het verhaal. Pas wanneer we erkennen dat we “niets” zijn – geen vaste identiteit, geen blijvend ego – ontstaat ruimte voor een nieuwe bezieling.

Aandacht als sleutel

Wanneer hem gevraagd wordt wat mensen concreet kunnen doen om dichter bij zichzelf te blijven, antwoordt Roumen met één woord: aandacht. Hij verwijst naar de Chinese wijze Zhuang Zi, die op de vraag wat hem zo wijs maakte, steeds hetzelfde antwoord gaf: “Aandacht.” Volgens Roumen leven we grotendeels in een staat van onbewuste droom. Gedachten en gevoelens komen op zonder dat we weten waar ze vandaan komen. We worden gedacht, zegt hij.

Aandacht betekent wakker worden in het hier en nu. Het betekent zien wat er gebeurt, zonder onmiddellijk te oordelen of te interpreteren. Dat klinkt eenvoudig, maar is volgens hem buitengewoon moeilijk. Zodra we iemand op straat zien, hebben we al een oordeel. We reageren vanuit conditioneringen.

De kunst is niet om oordelen te onderdrukken, maar om ze te zien. In die waarneming ontstaat ruimte. Dan hoeft het verleden niet telkens meegenomen te worden naar het volgende moment.

Roumen sluit hiermee aan bij denkers als Jiddu Krishnamurti, die benadrukten dat echte verandering niet voortkomt uit wilskracht of zelfverbetering, maar uit helder zien.

Microkosmos en incarnatie

Een meer esoterisch onderdeel van het gesprek betreft het begrip microkosmos. Volgens Roumen is de mens niet alleen een persoonlijkheid, maar een bolvormig geestelijk systeem – een microkosmos – met een eigen geschiedenis. Wat reïncarneert volgens hem niet de persoonlijkheid, maar de microkosmos. De persoon die wij zijn verdwijnt bij de dood, maar de microkosmos neemt opnieuw vlees aan. Iedere microkosmos heeft een unieke grondidee, een eigen opdracht.

Hoewel alle leven in essentie één is, betekent dat niet dat alle verschijningsvormen identiek zijn. Vanuit de eenheid emaneren verschillende niveaus van bestaan – geest, ziel en uiteindelijk individuele wezens. Iedere microkosmos draagt een eigen mogelijkheid in zich.

Het doel van het persoonlijke bestaan is volgens Roumen de bevrijding van die microkosmos. Dat gebeurt wanneer de goddelijke vonk werkzaam wordt en een nieuw zielig gewaad vormt – een nieuw bezielingsveld dat loskomt van de oude karmische structuren.

De ontmoeting als scheppend moment

Bewustzijn is volgens Roumen geen afgesloten innerlijk fenomeen. Het ontstaat in de ontmoeting tussen binnen en buiten. De scheiding tussen kenner en gekende is kunstmatig. Werkelijk bewustzijn vindt plaats in de relatie, in het midden. Hij vergelijkt het met verliefdheid: het is niet iets dat alleen in mij of alleen in de ander zit, maar iets dat ontstaat in de ontmoeting. Dat geldt ook voor het kijken naar een boom of het luisteren naar muziek.

Alles is nieuw, zegt hij. Maar wij zien het niet omdat we vastzitten in herinneringen en beelden. Wanneer we werkelijk aanwezig zijn, ontwaakt een creatief veld. Bewustzijn is niet alleen waarneming, maar ook scheppingskracht.

Ieder moment is een kans

Het gesprek eindigt niet met een methode, maar met een uitnodiging. Ieder moment is een kans om wakker te zijn. Ieder mens zal vroeg of laat voor de keuze komen te staan: ga je mee in het proces van innerlijke verhoging, of niet? Niemand kan die keuze voor je maken. Het Gouden Rozenkruis wil volgens Roumen geen dogma opleggen, maar slechts helpen de goddelijke vonk te wekken. Wat iemand daarmee doet, is zijn eigen verantwoordelijkheid.

Geluk is geen doel op zich, besluit hij. Het is een bijverschijnsel van het leven in overeenstemming met je diepste wezen. Wanneer de roos zich ontvouwt aan het kruis van het aardse bestaan, wordt de mens niet iemand anders – maar wordt hij wat hij in essentie altijd al was: bewustzijn.

BESTEL IK BEN BEWUSTZIJN