De Saturnusinwijding: het vormgeven, verklaard door J. van Rijckenborgh – brief van Johannes op Patmos aan Sardes

BESTEL HET CHRISTELIJKE INWIJDINGSMYSTERIE

Gesluierde teksten over de zeven inwijdingen die de mens op het universele gnostieke pad doorleeft. Zo kunnen de brieven aan het begin van het laatste boek in het Nieuwe Testament van de Bijbel (Openbaring 2 en 3) worden geduid. Een zekere Johannes op het eiland Patmos schrijft brieven aan zeven gemeenten in Asia, achtereenvolgens: Efeze, Smyrna, Pergamus, Thyatira, Sardis, Filadelfia en Laodicea. In zijn boek Het Christelijke Inwijdingsmysterie (Dei Gloria Intacta) verbindt J. van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) deze zeven gemeenten met zeven inwijdingen die hij toelicht en verbindt met de kwaliteit van zeven planeten, respectievelijk Mercurius, Venus, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus. Hieronder is hoofdstuk 8 over de Saturnusinwijding in acht paragrafen te beluisteren en te lezen. Die Saturnusinwijding wordt in verband gebracht met Laodicea en met integratie, synthese, belichaming en vormgeving.

8-1

 

‘Schrijf aan de engel der gemeente die te Sardes is: Dit zegt Hij die de zeven geesten Gods en de zeven sterren heeft:

Ik weet uw werken, dat ge de naam hebt dat ge leeft en ge zijt dood. Wees wakker en versterk het overige, dat dreigde te sterven, want ik heb geen van uw werken vol bevonden voor God.

Gedenk dan hoe ge het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het en bekeer u. Indien ge niet waakt zal ik over u komen als een dief, en ge zult niet weten op welk uur ik over u komen zal.

Doch ge hebt in Sardes enkele personen die hun klederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met mij wandelen in witte klederen, aangezien zij het waardig zijn. Wie overwint, die zal bekleed worden met witte klederen, en ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek des levens, maar ik zal zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen.

Wie oren heeft om te horen, die hore wat de geest tot de gemeenten zegt.’

8.2

 

Zo gaat dan de leerling voort met het uitvoeren van zijn grootse Jupiteropdracht. Wat hij vijfvoudig door de aanraking en belevendiging van de hemelse mens ontvangen heeft, moet hij uitdragen en zo mogelijk bevestigen in mensenzielen, opdat hij, met al de groten, een visser van mensen moge worden. Alles wat hij ontving moet zich bewijzen in de praktijk van het offer en zodra hij deze praktijk gaat volvoeren, heeft hij zich vrijwillig gebonden aan de aarde-aards en kan, mag, noch wil hij terug. Immers, zoals de goddelijke Schepper aller dingen aan zijn schepping en aan zijn schepsel gebonden blijft en ‘niet kan laten varen de werken zijner handen’, zo bindt de leerling zich vrijwillig en vol vreugde aan zijn taak.

Deze neergang in stof en smart en dood, wordt zijn opgang. Hij is van uur tot uur vervuld van een hoge, heilige ernst, daar hij tot in het diepst van zijn wezen weet en voelt dat hij, in al zijn kleinheid en poverheid, een factor geworden is in het algebeuren. Hij is verkoren tot een onmisbaar schakeltje in het grote reddingsproces, ingezet voor de mensheid.

‘God kan niet laten varen de werken zijner handen!’ Waarom niet? Omdat de Logos aller dingen evolueert, zich bewijst, door middel van zijn schepping en zijn schepsel. Wanneer de heilige boeken spreken: ‘God is licht’ en God zich dus bewijst door het licht, moet het duidelijk zijn dat alles wat het licht vertroebelt en tot duisternis maakt, moet worden omgezet. Er moet worden gearbeid totdat alles weer licht is. Zo kan de Bijbel dan ook zeggen: ‘dat God met ons gaat in zijn Zoon, tot aan de voleinding der wereld’.

Het schepsel, de Godszoon moet de grootsheid Gods bewijzen en het verduisterde licht vlekkeloos maken. En zoals nu de grote Hiërofant van de bevrijde mensheidshiërarchie met al zijn dienaren ‘als in barensweeën zucht tot op dit uur’, om het grote heilswerk te voleinden, zo zal de leerling, het kleine schakeltje in het reddende algebeuren, nu diep doordrongen zijn van de zekerheid dat de bekroning van het Godsplan mede van hem afhankelijk is.

De leerling heeft niet slechts het eigen lot in handen, hij oefent niet alleen invloed uit op het lot van de mensen die zijn krachtveld binnenkomen, maar hij draagt ook medeverantwoordelijkheid, in overeenstemming met zijn staat-van-zijn, voor de gehele activiteit van de Christushiërarchie. De Jupiterleerling maakt in Christus een binding met allen die zijn krachtveld binnenkomen en het besluit nemen om het grote heilsproces in zich te vervullen. En hij gaat met hen tot aan de voleinding van zijn taak.

De student zal diep voelen welk een enorme last de Jupiterleerling hier vrijwillig op de schouders neemt. Hij kan deze last evenwel dragen, zij het dan soms onder onuitsprekelijke zuchtingen, daar hij zich sterk en tot zijn taak geadeld weet, vanwege de vijf voorafgaande inwijdingen van de eerste Zevenkring. Daarom wordt iedere speculant hier gewaarschuwd voor de Izebelzonde van geestelijk overspel, voor de negatieve Jupiter, die niet uit God is, doch ‘voor God speelt’.

8.3

 

Wanneer nu deze grootse opdracht in haar voortgang boven een wetmatig minimum uitstijgt en er positieve resultaten kunnen worden aangetoond, gaat de Saturnusinwijding voor de leerling open.

Door de openbaring in de zesde inwijding van hetgeen in de vijf eerste inwijdingen door de leerling ontvangen is, wordt nu de eerste Zevenkring bekroond, door het procesmatig in beweging brengen van een totale verandering van de gehele lichaamsgestalte. In dat proces wordt met wetenschappelijke zekerheid al het dialectische verslonden, en wordt de kern voor een nieuw, onsterfelijk, stoffelijk lichaam gelegd; en op deze kern kan worden voortgebouwd. Naarmate de Jupitertaak wordt doorworsteld en de botsingen tussen natuur en geest bijdragen tot loutering en vergeestelijking, wordt de poort van Saturnus voor de leerling geopend.

Het is van het hoogste belang, dat iedere student in de mysteriën deze wet begrijpen zal. Inwijding en vergeestelijking vinden niet plaats in de huiskamer of studeerkamer. Er is van hoger standpunt niet de minste geestelijke groei aan te duiden, als de leerling de vrijwillig te dragen smart, inspanning en opoffering van de Jupitertaak niet zonder ook maar enige reserve, in volkomen nietsvragende mensenliefde en zonder angst wil aanvaarden. Als een leerling deze wet ontduikt, dan pleegt hij geestelijk overspel. Hij dringt eventueel als ongewenste gast de geestesschool binnen, hij wordt een lapis spitalauficusmaker, een geestelijke druktemaker; en het beste wat hem in die omstandigheden overkomen kan, is ledig teruggezonden te worden met ‘een teug vergetelheid’.

8.4

 

Het wonder van de Saturnusinwijding is zeer veelomvattend, en wij willen ons daarvan een min of meer uitgebreid beeld vormen, opdat dit perspectief een ieder zou kunnen sterken voor een toekomstige taak.

Alle esoterische studenten weten dat Saturnus de heerser is van het stoffelijke lichaam, in het bijzonder van de harde delen daarvan, het geraamte. De werkzaamheid van de oude Saturnuskrachten in het stoffelijke lichaam is verantwoordelijk voor alle kristallisatieprocessen. De astrologen van alle tijden hebben Saturnus dan ook afgeschilderd als de kracht van belemmering, verschrompeling en verval. Doch de nieuwe Saturnus vormt een geheel nieuw stoffelijk lichaam, dat de fatale kristallisaties met hun gevolgen niet kent. Hij openbaart een harmonisch stofwisselingsproces, waarin het natuurlijke sterven van de lichaamscellen geheel en al wordt opgevangen door de vernieuwing van de stoffelijke cellen en celgroepen.

De cellen en celgroepen van de gehele lichaamsgestalte ontvangen in de nieuwe Saturnus nieuwe eigenschappen. Het in iedere cel aanwezige geestelijke beginsel, de celkern, ontleent aan de nieuwe Mars een voortdurend stralend, lichtend, magnetisch-voedend vermogen. Procesmatig wordt door deze werkzaamheid het gehele oude lichaam opgebroken en vervangen door een ander. Dat andere zal openbloeien als het onsterfelijke lichaam van de opgestane mens. De leerling moet begrijpen waarom de oude Saturnus dit grootse werk niet volbrengen kan.

De taak van Saturnus is alle waarden, krachten en resultaten van het leven te synthetiseren en in hun juiste vormen te openbaren. Zijn taak is de gehele som van het zijn in een eenheid van wezen tot uiting te brengen naar geest, ziel en lichaam. Saturnus demonstreert al het door de mens geschapene, hij is de openbaarder. Daarom wordt hij voorgesteld als ‘de man met de zeis’, als de hiërofant van de dood. Immers alle waarden van de dialectische en satanische mens, alle resultaten van de ikzucht, het gehele woeden van het lagere leven, worden door hem op een psychologisch moment aan het daglicht gebracht. Saturnus is Vader Tijd, Chronos, die ’tot hiertoe en niet verder’ gebiedt.

Wanneer nu de mens, na fundamentele verandering en na de openbaring van zijn goddelijke wezen, geheel volgens de oorspronkelijke goddelijke wet gaat leven en werken, waardoor het gehele wezen kan beantwoorden aan andere waarden, krachten en resultaten, die in de ziel verankerd worden, en die gelouterd en beproefd zijn door het Jupiterwerk, moet ook de som van déze dingen door Saturnus tot openbaring worden gebracht. Dát is de nieuwe Saturnus: geboren uit de manifestatie van de hemelse mens.

8.5

 

De leerling zal ontdekken dat hier geen sprake is van persoonlijkheidscultuur, doch van persoonlijkheidsverwisseling.

In de twee fundamentele inwijdingen wordt het drievoudige licht van het hogere, hemelse bewustzijn binnen het stelsel van de lagere mens gebracht. Vervolgens zien wij hoe principieel het oude denkvermogen gedood en het nieuwe denkvermogen geboren wordt: het denkvermogen van de hemelse gestalte, dat het hoofdheiligdom binnendringt en de grond- slagen voor een nieuwe tempel legt. Deze heilsarbeid kwam tot stand door middel van de Mercuriusinwijding.

In de vierde inwijding, die van Venus, en in de vijfde inwijding, die van Mars, wordt het oude begeertelichaam, de aurische sfeer, naar zijn beginselen van de oude mens gedood en wordt het nieuwe begeertelichaam, de nieuwe aurische sfeer, als een microkosmisch uitspansel tot aanzijn geroepen. Het nieuwe gevoelswezen gaat zich openbaren (Venus) en de ware hogepriester kan, via de nieuwe aurische wolken, de nieuwe tempel binnengaan, om de stem Gods in het heilige der heiligen te vernemen.

Nu moet de hogepriester, die in God ontstoken is naar de idee (Mercurius); die in Jezus de Heer is ondergegaan naar het wezen des harten (Venus); en die naar de Heilige Geest is wedergeboren naar een nieuwe wil (Mars); door de voorhof van de Tempel naar buiten treden om zijn taak voor wereld en mensheid in het profane leven aan te vangen en te vervullen.

De Jupitertaak of zesde inwijding, is de grote voorwaarde van alle verdere geestelijke ontwikkeling en vervulling van de hemelse mens. De nieuwe idee en het nieuwe gevoelswezen moeten, bestuurd door de nieuwe wil, als een magische kracht, als een roepstem Gods, deze wereld instralen. Het gehele stelsel van de oude mens gaat zich daardoor wijzigen. Alle gaven en manifestaties van de hemelse mens worden, als door een alchemische formule, samengesmolten tot een wonder. Wat aan de top van de lichaamsgestalte, het denkvermogen, begon, gaat zich nu bewijzen in de creatie van een nieuwe lichaamsgestalte.

De eerste Zevenkring wordt gesloten. Saturnus, de doodsgezant in de natuur, wordt de heraut van de opgestane onverderfelijke mens.

8.6

Alle dood, kristallisatie en verval zijn de gevolgen van de oude Mercurius, Venus en Mars en hun volstrekte anarchie. De oude Mercurius werkt samen met de hersencapaciteit van de biologische mens, van de mens als dier. De oude Venus plengt allerlei offers aan afgoden en de oude Mars is de ongebreidelde chaotische en tomeloze wil, die zich van God heeft losgemaakt. Door deze drievoudige degeneratie is een volledig zielenverval en dus bloedverval ontstaan en een schier definitieve verbreking tussen geest en stof.

De oude Mars polariseerde het ijzer van de speculatieve wil in de menselijke ziel; de oude Venus polariseerde het koper van het ontwijde hartheiligdom in de ziel; de oude Mercurius polariseerde het kwik van het biologische intellect in de ziel en de oude Jupiter, de Izebel, polariseerde het tin van de volstrekte schijn in de ziel. Aldus werd het gluten, waarvan Karl von Eckartshausen spreekt in zijn boek De wolk boven het heiligdom, in het bloedswezen van de mens tot aanzijn geroepen, bestaande uit vier metallieken: ijzer, koper, kwik en tin. De oude Saturnus voegt daaraan het grauwe lood der godverlatenheid toe, aldus het onheilspellende gluten vervolmakend. Het wezen des doods is op deze wijze verbonden met de ziel als een kracht, een kracht die wreed en direct reageert als de ongebreidelde wil in zijn woeden de gewone levensprocessen stoort en ontwricht.

Als de leerling evenwel een statische wil ontwikkelt, die aan de hand Gods en naar de wet Gods gaat, zien we hoe er door de twaalf paar hersenzenuwen vierentwintig harmonische zenuwstromen worden uitgezonden, die het gehele stelsel controleren, en hoe het oude slangenvuur hierdoor tot zijn oude glorie wordt herboren als een sterke ‘staf’, waarmee de leerling krachtig het levenspad zal kunnen bewandelen. De bloedvernieuwing die hiervan mede het gevolg is, doet het gluten uit de bloedbaan verdwijnen, waarna de bloedmetallieken van de hemelse mens zich weer zullen doen gelden.

Zo voeren de geestelijke krachten van al de voorgaande inwijdingen de leerling tot de nieuwe Saturnus, die hem de poort van het nieuwe leven opent, de poort van het ware Godsrijk, het Koninkrijk der Hemelen, het oorspronkelijke levensdomein van de mensheid. Alleen de opgestane onsterfelijke mens zal dit grandioze lichtrijk kunnen betreden.

Naarmate het proces van de nieuwe Saturnus voortgang vindt, zullen alle voorgaande inwijdingen tot steeds grootser openbaring komen, tot groter lichtexpansie, aangezien de weerstand die door de leerling moet worden overwonnen steeds geringer wordt, door het toenemen in kracht en vermogen.

De Heilige Zevengeest heeft de microkosmos geheel nieuw toebereid, de keten van de eerste Zevenkring is gesloten. De mens is wedergeboren naar de natuur van de oorspronkelijke Godsorde.

8.7

 

Dat Saturnus volkomen met de Heilige Geest verbonden kan worden, blijkt overvloedig uit de heilige taal van alle eeuwen. De oude joden waren zeer sterk aan Saturnus gebonden; de geest van Saturnus was hun leid-ster. Een van hun opdrachten was: uit hun bloedswezen voort te brengen een geschikt stoffelijk voertuig voor de Zaligmaker der wereld, Jezus Christus.

De naam ‘Jehovah’, de God der joden, betekent dan ook in een bepaalde afleiding ‘Saturnus’ en de joodse ‘dag des Heren’ was gesteld op de zaterdag, de Saturnusdag. De grootste joodse zonde was, dat zij steeds opnieuw terugkeerden tot de grove materie en daardoor tot kristallisatie, de lagere Saturnus.

Als de leerling evenwel in de eerste Zevenkring zijn taak op de juiste wijze volvoert en de godenzoon, de hemelse mens, in hem geboren kan worden, wordt hij het beloofde land, het Kanaän van de Godsorde, binnengevoerd. Uit de slavernij der duisternis wordt hij verlost, door de woestijn van deze wereld gaat zijn pelgrimage en eindelijk wordt het hem vergund door de poort van Saturnus een blik te werpen op de Godsorde der dingen.

8.8

 

Ongetwijfeld zal de leerling nu de ernstige waarschuwing uit de brief aan Sardes verstaan. Sardes beduidt: ‘de gevaarvolle’. Het grote gevaar blijft namelijk langdurig voor de leerling bestaan dat hij de verschijnende materie, in al haar aanzichten, als de wezenlijke materie gaat beschouwen waarin het Godsrijk moet worden gebouwd.

De niet bevrijde Saturnusmens is materialistisch, grof of verfijnd. Daarom moet de leerling voorzichtig zijn; daar hij de naam heeft dat hij leeft, moet hij niet dood bevonden worden. ‘Wees daarom wakker en versterk het overige, dat dreigde te sterven. Indien ge niet waakt, zal ik over u komen als een dief, want de gevolgen van het dienen van de lagere materie wreken zich altijd plotseling. Maar zij, die hun voertuigen, die geheel nieuw worden opgebouwd, niet bevlekt hebben, zullen met mij wandelen in witte klederen’.

Wie oren heeft die hore! Want mag het in esoterische kringen van alle tijden niet van grote bekendheid worden geacht dat in de heilige taal ‘klederen’ de aanduiding vormen voor een bepaalde voertuiglijke staat? De oude Adam werd de hof van Eden uitgebannen ‘gekleed in rokken van vellen’; de nieuwe Adam gaat het Godsrijk binnen in ‘witte klederen’.

Bon: Hoofdstuk 8 van Het christelijke inwijdingsmysterie (Dei Gloria Intacta) van Jan van Rijckenborgh

BESTEL HET CHRISTELIJKE INWIJDINGSMYSTERIE

LEES OVER 5 BOEKEN VAN J. VAN RIJCKENBORGH OVER CHRISTELIJKE TEKSTEN UIT DE OUDHEID