Beschouwing 5

Mysteriën van God, kosmos, mens

Beschouwing 5: Reinigingen realiseren (hoofdstuk 5 van het bijbehorende boek

 

BESCHOUWING GEBASEERD OP SPIRITUELE TEKST 5

De ondertitel van dit boek luidt: het godsplan verwerkelijken. Mogelijk roept dit associaties op van een verschrikkelijk lang, vermoeiend en pijnlijk proces. Vanuit een dialectisch of 3D-bewustzijn is zo’n reactie volkomen te begrijpen, want uit ervaring weten we dat het veel tijd, aandacht, energie en vaak ook grote opofferingen vraagt om een ambitieus plan zodanig uit te voeren dat het volgens de gewenste kwaliteitseisen gerealiseerd wordt in de zintuiglijk waarneembare wereld.

Vanuit een geest-zielebewustzijn toont zich echter een heel ander beeld omdat het godsplan tijd en ruimte verre te boven gaat. Als de discipelen van Jezus hun meester vragen wanneer het Koninkrijk Gods zal komen, antwoordt hij: ‘De komst van het Koninkrijk is niet in de toekomst te verwachten. Niemand zal zeggen: ‘Kijk, hier is het’ of ‘Kijk, daar is het’. Nee, het Koninkrijk is al uitgebreid op de aarde en de mensen zien het niet’ (Het evangelie van Thomas, logion 113)

De goddelijke genade is in overvloed aanwezig en zoekt voortdurend mogelijkheden om in te stromen in de mensen, maar de mensheid als geheel blijft verwoede pogingen doen om zich zoveel mogelijk voor haar af te sluiten. En dat lukt dramatisch goed. Als je objectief rondkijkt in je omgeving en je op de hoogte stelt van wat er allemaal in de wereld gebeurt, zul je moeten vaststellen dat er heel veel is dat beslist niet goed is en dat terecht ‘kwaad’ genoemd wordt. Het wordt algemeen erkend dat de wereld en de mensheid zwaar ziek zijn en dat genezing en ook heiliging heel hard nodig zijn.

Waar komt het kwade vandaan? De Perzische profeet Zarathoestra of Zoroaster had daar ideeën over die een grote invloed hebben gehad in de geschiedenis. Hij ontwikkelde een monotheïstische religie, het zoroastrisme, waarin de ene goede zonnegod Ahura Mazada wordt vereerd. De oorsprong van die religie is, in tegenstelling tot de meeste andere godsdiensten in die tijd, geen natuurreligie waarin God wordt gezien en vereerd als een sinterklaas die de mensen overlaadt met begeerlijke geschenken, maar een authentieke gnostiek geïnspireerde
religie die gericht is op transformatie van de mens.

Zarathoestra beschouwt de zon niet primair als een onontbeerlijke en machtige natuurkracht, maar als symbool voor de onzichtbare geestelijke Zon die innerlijke groei en vernieuwing
mogelijk maakt (zie lofzang 8). Uit die ene goede God is volgens hem voortgekomen een minder machtige god van het boze: Ahriman. Zo zit de mens ingeklemd tussen de macht van het goede
en de macht van het kwade en staat hij voor de uitdaging te kiezen voor de macht van het goede. Hoe is het mogelijk dat het kwade uit het goede voortkomt? In het Aquarius Evangelie lezen we daarover het volgende.

Disharmonische vermenging
‘Alle geschapen dingen hebben ieder hun kleur, klank en vorm; maar sommige klanken, hoewel goed en zuiver op zichzelf, veroorzaken disharmonieën, wanluidende klanken, wanneer zij vervormd worden. En sommige dingen, hoewel goed en zuiver van zichzelf, veroorzaken,
wanneer zij vermengd worden, disharmonische dingen, ja, worden giftig en dat noemen de mensen kwade dingen. Dus is kwaad de disharmonische vermenging van kleuren, klanken of vormen van goed. Nu is de mens niet alwetend, niet in alles wijs, en heeft toch een eigen wil. Hij heeft de macht en hij gebruikt die om Gods goede dingen op allerlei manieren te vermengen, en iedere dag veroorzaakt hij disharmonische geluiden, en kwade dingen. En iedere klank en vorm, hetzij goed of kwaad, wordt een levend iets, een demon of geest van een goede of verdorven aard.’ (Aquarius Evangelie 39:11-16)

De Perzische profeet Mani (216-276) verbond de inzichten van Zarathoestra met het leven en de leer van Jezus de Christus. Hij stichtte de gnostieke religie van het manicheïsme, dat van ongeveer de vierde tot de dertiende eeuw een wereldreligie is geweest. Twee getuigenissen van Mani zijn opgenomen als lofzang 9. Het manicheïsme bloeide niet alleen in Iran en op het Arabische schiereiland, maar ook in landen rondom de Middellandse Zee, in Centraal Azië en zelfs in China. Van de manicheeën zijn aardig wat teksten bewaard gebleven.

Het gedachtegoed van de manicheeën werd in een vernieuwde vorm opgenomen in middeleeuwse gnostieke bewegingen als de bogomielen in de Slavische landen op de Balkan en de katharen in met name Zuid-Frankrijk. De beroemde theoloog, filosoof en kerkvader Augustinus van Hippo (354-430) uit Noord-Afrika was tien jaar toehoorder bij de manicheeën. Deze intellectueel behoorde tot de exoterische kring en is nooit opgenomen in de esoterische kringen van die beweging. Op een gegeven moment wendde hij zich af van het manicheïsme en ging daar fel tegen tekeer. Mede door zijn optreden zijn gnostiek georiënteerde stromingen als ketters bestempeld en daarna eeuwenlang letterlijk te vuur en te zwaard bestreden in opdracht van de toenmalige kerk van Rome. Vele gnostieke bewegingen zijn zo te gronde gegaan, maar de gnosis bleef, want zij is onsterfelijk en zoekt steeds naar nieuwe manieren om zich te manifesteren en bevrijdend werkzaam te worden.

Kenmerkend voor het manichese mens- en wereldbeeld is het bestaan van twee rijken die zich allebei uitdrukken in de mens: het lichtrijk van de geest en het duistere rijk van de stof. De mens kan het lichtrijk met zijn beperkte zintuigen niet waarnemen omdat die deel uitmaken van het rijk van de duisternis. In zijn hart heeft de mens volgens Mani echter een ingekapselde lichtkiem die, indien zij daar ontvankelijk voor is geworden, met de krachten uit het lichtrijk kan meevibreren en zo de uit dat rijk afkomstige impulsen kan opnemen en verwerken. Daardoor verandert de mens en kan hij het rijk van de duisternis verlaten en terugkeren naar het rijk van het licht.

Van onderaf gezien, dat wil zeggen vanuit het perspectief van de mens die innerlijk is aangeraakt en lichamelijk, psychisch en spiritueel lijdt in de wereld van versplintering, is de manichese idee van de twee rijken of natuurorden niet zo gek. Hij ervaart immers een grote kloof tussen wat hij nu is en wat hij innerlijk zou kunnen zijn. Dat dualisme tussen duisternis en licht veroorzaakt een verlangen en een spankracht die nodig zijn om een innerlijke verandering te ondergaan en daardoor deel te krijgen aan het rijk van het licht.

Het onveranderlijk goede

Van bovenaf gezien, dat wil zeggen vanuit het perspectief van de innerlijk vernieuwde mens, die leeft vanuit de allesomvattende eenheid – gesymboliseerd door Hermes Trismegistus – is er geen sprake van twee totaal verschillende rijken of velden. Voor hem is alles met alles verbonden. Absolute duisternis bestaat niet voor hem: wat mensen duisternis noemen is voor hem alleen maar een plek waar heel weinig licht is. Dit is ook ongeveer de visie die wordt uitgedragen in het Corpus Hermeticum. In het tiende boek onderwijst Hermes Trismegistus zijn leerling Asclepius over het onveranderlijk goede dat geen tegendeel kent, dat is het absoluut-goede of het alleen-goede, en daarnaast over het relatief goede, dat de mensen beschouwen als tegendeel van het kwaad.

‘Het goede, Asclepius, is uitsluitend in God, of juister: God is in alle eeuwigheid het goede. Vandaar dat het goede noodzakelijk grond en wezen is van alle beweging en van alle wording: er bestaat niets dat er zonder is. Alle overige eigenschappen komen in alle wezens voor, in de kleine, zowel als in de grote, in ieder van hen op een eigen wijze en zelfs in de Wereld, het grootste en machtigste van al het geopenbaarde leven: want al het geschapene is vol lijden, daar de voortbrenging zelf een lijden is.
Waar lijden is, is het goede beslist afwezig. Waar het goede is, is beslist geen enkel lijden. Want waar het dag is, daar is geen nacht, en waar het nacht is, is het geen dag. Daarom kan het goede niet in
het geschapene wonen, doch alleen in het ongeschapene.
Maar daar de materie van alle dingen deel heeft aan het ongeschapene, heeft zij als zodanig ook deel aan het goede. In die zin is de wereld goed, in zoverre ook zij alle dingen voortbrengt, is zij, als zodanig, goed. Maar in alle andere opzichten is zij niet goed: want ook zij is aan lijden onderhevig, en veranderlijk, en de moeder van aan lijden onderworpen schepselen.
Bij de mens komt men tot goedheidsnormen door vergelijking met het kwaad. Want het niet al te grote kwaad geldt hier als goed, en wat hier als goed beoordeeld wordt, is het kleinste deel van het
kwaad. Het goede hier kan dus onmogelijk vrij zijn van de bezoedeling van het kwaad. Het goede wordt hier weer door het kwaad aangedaan, en houdt aldus op goed te zijn. Zo verwordt het goede
tot boosheid. Aldus is het goede alleen in God, ja, God is het goede.
Het schone en het goede zijn in hen die in de wereld zijn, niet te vinden. Alle dingen die voor het oog waarneembaar zijn, zijn schijngestalten en zoiets als schaduwbeelden. Maar al wat boven de zintuigen uitgaat, benadert het wezen van het schone en het goede.’ (Corpus Hermeticum 10:1,4,5,6,10)

In de Griekse mythologie is Asclepius de god van geneeskunde en genezing. Hij wordt vaak afgebeeld met een staf waaromheen een slang kronkelt. De staf is vooral het symbool voor het slangenvuur in de wervelkolom, waarin bewustzijnskrachten circuleren. De slang verwijst naar dood en naar wedergeboorte. Veel slangen hebben immers dodelijk gif in hun kaken, en kruipen uit hun oude, gekristalliseerde huid als zij een nieuwe huid hebben gevormd. De zogeheten esculaap of asclepiusstaf is al vele eeuwen een symbool voor artsen.

Asclepius kunnen we zien als een personificatie van de leerling op het spirituele pad die is toegetreden tot de mesoterische cirkel of innerlijke school omdat hij een genezer in de meest uitgebreide zin van het woord wil worden: voor zichzelf en voor anderen. Om anderen te kunnen genezen, zal hij eerst zelf genezen moeten worden. En totale genezing is pas mogelijk door wedergeboorte uit water en vuur.

Uit de hiervoor geciteerde leringen van Hermes voor Asclepius kunnen we afleiden dat ons biologische lichaam en onze persoonlijkheid geen deel uitmaken van het alleen-goede omdat we geschapen zijn en daardoor deelhebben aan het lijden. Onze lichamen en onze persoonlijkheden zijn echter ook voortgevloeid uit domeinen die boven de zintuigen uitgaan: die van de ziel en die van de geest.

Als je ernaar verlangt deel te krijgen aan het alleen-goede, waar beslist geen lijden is, zul je dus aandacht moeten besteden aan de werelden van de ziel en van de geest. Het grote probleem is dat je daar geen weet van hebt. En als je er wel iets van bevroedt, en er misschien zelfs naar verlangt, lukt het je niet om daar voldoende tijd voor te vinden omdat al je aandacht en energie gaat naar de dingen van de zintuiglijk waarneembare wereld en haar astrale tegenhanger.

Hermes nodigt zijn leerlingen uit om zich te bevrijden van de onreinheid van de natuur. Het is vrijwel onmogelijk om die spirituele weg uitsluitend op eigen kracht te gaan. Daarom zijn er altijd verlichte leraren en geestesscholen geweest om mensen die rijp waren voor het innerlijke pad, bij te staan. Niet alleen om de leerlingen te onderwijzen, maar ook om hen aan te sporen tot innerlijke vernieuwing en hen te voorzien van de daarvoor benodigde lichtkrachten.

Drang tot zelfhandhaving en zelfrealisatie

Ieder mens kan in zichzelf een drang tot zelfhandhaving en een drang tot zelfrealisatie ervaren. Die vormen een waardevolle en noodzakelijke stuw tot ontwikkeling, maar worden vaak een doel op zich en leiden dan tot groei van eigenschappen die grote barrières vormen op de spirituele weg, en die in de middeleeuwen wel werden aangeduid als de zeven hoofdzonden: hoogmoed, luiheid, afgunst, drift, wellust, gulzigheid en gierigheid. Deze staan in schril contrast tot de zeven klassieke deugden uit de katholieke traditie: wijsheid, rechtschapenheid, gematigdheid, moed, geloof, hoop en liefde. Van deze deugden wordt de liefde
meestal als de hoogste en de machtigste beschouwd (zie lofzangen 11 en 12).

BESTEL MYSTERIËN EN LOFZANGEN VAN GOD, KOSMOS, MENS

De leerling die binnen de exoterische cirkel uitgebreid kennis heeft genomen van een authentieke spirituele traditie en de weg van de godsvrucht wil gaan, staat voor de opdracht om zich vrij te maken van de hoofdzonden en andere belemmerende conditioneringen. Niet door ertegen te vechten, maar door zich innerlijk te verheffen en zich bewust te worden van dat wat er in hemzelf speelt. Dan gaat hij van de exoterische cirkel naar de mesoterische cirkel, van de uiterlijke school naar de innerlijke school, van de Tat-fase naar de Asclepius-fase. In het eerste
boek van het Corpus Hermeticum, Pymander of Poimandres genoemd, beschrijft Hermes dit proces van innerlijk sterven als een opstijgen door zeven verschillende hemelsferen, die later in verband werden gebracht met de zeven klassieke ‘planeten’: Zon, Maan, Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus.

De mens vaart verder opwaarts, door de samenbindende kracht van de sferen heen; aan de eerste cirkel staat hij af de kracht om toe te nemen en af te nemen; aan de tweede cirkel de bedrevenheid in het boze, en de onmachtig geworden list; aan de derde cirkel de voortaan machteloze dwaling van de verlangens; aan de vierde cirkel de ijdelheid van het heersersvertoon, waaraan niet meer kan worden voldaan; aan de vijfde cirkel de god-loze overmoed en brutale onbezonnenheid; aan de zesde cirkel de buiten-werking-gestelde gehechtheid aan rijkdommen; aan de zevende de steeds-zijn-lagen
stellende leugen.
En als hij zich dan zo ontdaan heeft van wat uit de samenwerkende kracht van de sferen was voortgekomen, gaat hij, slechts in het bezit van zijn eigen kracht, de achtste natuur binnen; en zingt met allen die daar zijn, hymnen tot lof van de Vader, en allen verheugen zich met hem over zijn aanwezigheid.’ (Corpus Hermeticum 1:63-64)

Het veertiende boek van het Corpus Hermeticum met de titel ‘de geheime rede op de berg, betreffende de wedergeboorte en de belofte van stilzwijgzaamheid’ gaat op een andere manier in op de reinigingen die moeten plaatsvinden in de mens die de bevrijdende gnostieke weg gaat. Daaruit blijkt dat de hermetische gnosis geen coherent en vastomlijnd filosofisch stelsel is, maar dat er in het hermetisme steeds verschillende pogingen worden gedaan om iets te kunnen zeggen over ervaringen die eigenlijk niet goed in woorden kunnen worden uitgedrukt. Daarom wordt er binnen het hermetisme, evenals bij alle andere esoterische tradities, veelvuldig gebruik gemaakt van symbolen.

De berg als symbool
Het symbool van de berg verwijst naar onder andere zich innerlijk verheffen, overzicht krijgen, esoterisch onderricht ontvangen en ingewijd worden. Van meerdere grote wijsheidsleraren zijn verhalen bekend dat zij met hun directe discipelen een berg op gingen om hen te onderrichten in mysteriën die niet bedoeld waren voor het grote publiek. Zo hielden Krishna en Hermes een toespraak op een berg en de Bergrede die aan Jezus wordt toegeschreven staat in de hoofdstukken 5, 6 en 7 van het Evangelie van Mattheüs. Daarin lezen we onder andere: ‘Ga binnen door de nauwe poort, want wijd is de poort en breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor naar binnen gaan; maar de poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden.’ (Mattheüs 7:13-14)

Tat is door de nauwe poort gegaan en heeft als één van de weinigen de weg die naar het onvergankelijke leven leidt gevonden. Hij heeft als leerling een gedegen voorbereiding doorgemaakt en vraagt zijn leraar Hermes of hij een volgende stap mag zetten in zijn proces. ‘Ik heb mij van de wereld losgemaakt en mij innerlijk sterk gemaakt tegen de waan van de wereld. Wilt dan nu hetgeen mij ontbreekt aanvullen, zoals u mij beloofd hebt, en mij onderrichten over de wedergeboorte, hetzij mondeling, hetzij als mysterie.’ (Corpus Hermeticum 14:3)

Hermes antwoordt dan dat de wedergeborene zal zijn als een god, een godszoon, alles in alles en met alle vermogens toegerust. Hij voegt eraan toe dat dergelijke dingen zich niet laten onderwijzen en laat doorschemeren dat Tat de wedergeboorte zelf zal kunnen ervaren als hij daar rijp voor is. Daarvoor is het nodig dat Tat de zintuiglijke werkingen van zijn lichaam tot verstilling brengt en zich reinigt van de redeloze tuchtigingen van de stof.

Tat is dan hogelijk verbaasd omdat hij denkt dat hij geen ondeugden meer heeft, want hij herkent ze niet in zichzelf. Houdt hij zich niet aan de algemeen geldende regels? Hij doet toch geen vlieg kwaad? Is hij geen voorbeeldige leerling die zich gedraagt zoals dat van hem verwacht kan worden? Hermes zegt dan dat Tat talrijke en schrikaanjagende ondeugden heeft, brengt ze later in verband met de twaalf tekens van de zodiak of dierenriem en duidt ze aan als: onwetendheid, verdriet, onmatigheid, begeerte, ongerechtigheid, hebzucht, bedrog, afgunst, list, toorn, onbezonnenheid en boosheid.

Hermes somt deze ‘tuchtmeesters’ niet op om Tat te beschuldigen of hem iets te verwijten, want het betreft ondeugden die in alle mensen aanwezig zijn omdat zij geformeerd zijn uit bestanddelen van de aarde en zelfs van het universum: uit sterrenstof. Nu Tat besloten heeft een innerlijke weg te gaan, is het noodzakelijk dat hij zich bewust wordt van de ondeugden die in hem leven, die hij misschien aardig onder controle heeft, maar die zich toch steeds weer op een subtiele wijze uiten. Zo subtiel, dat hij er zichzelf meestal niet eens van bewust is.

Als we ondeugden van onszelf ervaren en daaronder lijden, hebben we de natuurlijke neiging om die aan te pakken en ertegen te vechten. Daarmee kunnen wel bepaalde resultaten worden bereikt, maar de oorzaak wordt niet weggenomen. En als bepaalde ondeugden onder controle zijn gekregen, steken andere ondeugden weer de kop op. Dergelijke methoden, die voortvloeien uit het ego, zijn niet in overeenstemming met het gnostieke pad: met ons ego kunnen we ons ego niet opheffen. Wij dienen onze tuchtmeesters te herkennen en te erkennen en ruimte te maken voor het Licht om ze te neutraliseren. Dat wordt in symbolische vorm prachtig verwoord in paragraaf 96 van Het Evangelie van Filippus.

De wortel van het kwaad

Zolang de wortel van de boom verborgen is, loopt hij uit en groeit hij. Wanneer de wortel zichtbaar wordt, verdort de boom. Zo is het met alles wat is voortgebracht in de wereld, niet alleen het zichtbare, maar ook het verborgene. Zolang de wortel van het kwaad verborgen is, is het sterk. Zodra men echter het kwaad herkent, dan lost het zich op. Wanneer het zichtbaar wordt, verdwijnt het. Daarom zegt het woord: “Reeds ligt de bijl aan de wortel van de boom”. Ze hakt niet om – want wat omgehakt wordt, pleegt weer uit te lopen – maar de bijl dringt diep in de grond, totdat zij de wortel blootlegt. […]
Het kwaad zal weggerukt worden als we het kennen. Als we het niet kennen, schiet het wortel in ons en brengt het vruchten voort in ons hart. Dan beheerst het ons en zijn wij zijn knechten. Het neemt ons gevangen en laat ons dingen doen die we niet willen, en wat we willen, doen we niet. Het blijft machtig omdat we het niet hebben herkend. Zolang het er is, is het werkzaam.’ (Het Evangelie van Filippus 96)

Als de wortel van het kwaad in jou aan het licht komt, dus als je je ervan bewust wordt en toelaat dat er lichtkrachten in je gaan circuleren, lossen je natuurlijke zelfhandhavende belemmeringen op. Zulke reinigingen door dat wat wel ‘het levende water’ wordt genoemd, voltrekken zich niet van de ene op de andere dag; het betreft een jarenlang proces. Op zich is het niet moeilijk om dat proces te volbrengen, want het gaat vooral om het luisteren naar en volgen van de innerlijke stem. Als je als gevolg van een innerlijk aangeraakt zijn ruimte maakt voor de Ander in je en daar aandacht aan besteedt, gaat de onsterfelijke mens zich steeds krachtiger in jou uitdrukken, zodat je sterfelijke persoonlijkheid steeds minder wordt beheerst door zelfhandhavende belemmeringen, bezitsdrang, machtsdrift en eerzucht.

De mens die innerlijk is aangeraakt wordt zich er steeds duidelijker van bewust dat er in hem een oorspronkelijke en onsterfelijke mens woont. Daarom zegt Pymander, de inwonende geest, tot Hermes die zich bevindt in een toestand van contemplatie: ‘Van alle schepselen in de natuur is alleen de mens tweevoudig: sterfelijk naar het lichaam en onsterfelijk naar de wezenlijke mens.’
(Corpus Hermeticum 1:38 )

En daarom benadrukken de klassieke rozenkruisers uit de zeventiende eeuw in hun manifesten dat de mens een microkosmos is, een kosmos (ordening of sieraad) die een afspiegeling is van de macrokosmos.

In een manuscript uit de dertiende eeuw met teksten van Hildegard von Bingen (1098-1179) staat een tekening van de oorspronkelijke, onsterfelijke mens of Adam Kadmon, die de sterfelijke mens omringt (zie afbeelding 9, links). Uit de geschriften van deze veelzijdige, daadkrachtige en productieve mystica blijkt duidelijk dat zij de transformerende werking van het geestvuur in zichzelf intensief heeft ervaren (zie bijvoorbeeld loflied 10). Dat kunnen we ook zeggen van de Britse medicus, fysicus en mysticus Robert Fludd (1574-1637, fakkeldrager van het Rozenkruis 6). Op de titelpagina van een boek van hem staat een symbolische weergave van de mens als microkosmos waarin onder andere zijn opgenomen: de vier temperamenten
van de mens, de twaalf tekens van de zodiak en de sferen van de zeven planeten (zie afbeelding 9, rechts).

Zo boven zo beneden

In de zeventiende eeuw bestond er nog geen scherp onderscheid tussen wat wij nu kennen als astronomie, astrologie en astrosofie. Al deze vormen van sterrenwijsheid werden gerekend tot de wetenschappen en kunsten. Pas in de periode van de verlichting in de achttiende eeuw werden astrologie en astrosofie gezien als onwetenschappelijk omdat die niet meer pasten in de nieuwe paradigma’s van de zich ontwikkelende natuurwetenschappen.

Astrologie en astrosofie zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op symbolisch denken, op het vaststellen van en gebruik maken van correspondenties die er bestaan tussen wat er in de macrokosmos en in de microkosmos gebeurt, volgens het hermetische principe: zo boven, zo beneden.

De meeste astrologen zijn het erover eens dat er tussen de twaalf tekens van de dierenriem en de zeven klassieke planeten een samenhang bestaat die wordt weergegeven in het ‘kosmogram’ in het linker deel van afbeelding 10. Daarin wordt ook getoond welke planeten de zeven grote chakra’s in de mens regeren. Chakra’s zijn voor de gewone ogen onzichtbare energetische transformatoren, die verbindingen vormen tussen het etherlichaam en het astrale lichaam van de menselijke persoonlijkheid. Zij regelen de energetische huishouding zodanig dat
alle natuurlijke levensprocessen zich op de juiste wijze kunnen voltrekken.

Voor het gaan van de gnostieke weg is het niet nodig om het functioneren van de chakra’s te kennen, maar enige kennis daarover kan wel bijdragen aan een beter begrip van de reinigingen die in de mens op het gnostieke pad plaatsvinden. Deze zijn in eerste instantie namelijk energetisch van aard (mentaal, astraal en etherisch), maar manifesteren zich uiteindelijk, en soms al heel snel, ook in het stoffelijk lichaam in de vorm van veranderingen van het brein, het slangenvuur, de interne secretie, het zenuwfluïde en het bloed.

J. van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) heeft het vernieuwingsproces in de mens die de gnostieke weg gaat, uitgebreid beschreven in zijn boek De komende nieuwe mens. Die vernieuwing begint met het ontluiken van de roos, dat is het ontwaken van de sluimerende geestkern in het hart van de mens, de geestvonk. Als de pelgrim voldoende aandacht besteedt aan deze nieuwe werkzaamheid, kan op een gegeven moment de nieuwe ziel geboren worden in de vierde hersenholte van het hoofdheiligdom, in de open ruimte achter het voorhoofdsbeen. Daar ontstaat een concentratie van gnostieke lichtkrachten, die vervolgens neerdalen in de linkerstreng van de sympathicus, en daarbij de werkzaamheid van de chakra’s zuiveren: eerst het voorhoofdschakra, en daarna achtereenvolgens het keelchakra, het hartchakra, het miltchakra, het heiligbeenchakra en het stuitchakra.

Deze neerwaartse energiestroom is vergelijkbaar met de neergang in de hel zoals die in de apostolische geloofsbelijdenis wordt genoemd. De lichtkrachten neutraliseren het karma dat voor een belangrijk deel gelokaliseerd is in de plexus sacralis aan het uiteinde van het ruggenmerg, dat correspondeert met de planeet Saturnus. Als de karmische invloeden zijn geneutraliseerd – in bijbelse termen: als de zonden vergeven zijn – volgt het opvaren naar de hemel. De stroom van gnostieke lichtkrachten stijgt dan via de rechterstreng van de sympathicus omhoog en wijdt de chakra’s tot hun hoge doel, totdat uiteindelijk ook het zevende chakra, het kruinchakra ontstoken wordt en de betrokkene met recht het licht van de wereld kan worden genoemd (Mattheüs 5:14).

Als we deze globale beschrijving combineren met wat Hermes in het veertiende boek van het Corpus Hermeticum zegt over het verdrijven van de twaalf tuchtigingen door de tien krachten, komen we tot de symbolische grafische voorstelling in het rechter gedeelte van afbeelding 10. De tien krachten zijn de zeven gemanifesteerde stralen van de Geest, de heilige Zevengeest waarvan de zeven klassieke planeten een lagere afspiegeling zijn, plus de drie ongemanifesteerde stralen van de Geest, waarvan de drie mysterieplaneten Uranus, Neptunus en Pluto een lagere afspiegeling zijn. Tezamen zijn zij de tien sephiroth waaruit de boom des levens uit de kabbala is samengesteld.

Door de werkzaamheid van de tien krachten of sephiroth komen zeven eigenschappen van de nieuwe mens tot ontwikkeling. Hermes benoemt die als: kennis, vreugde, ingetogenheid, zelfbeheersing, rechtschapenheid, goedheid en waarheid. Nu gaat het erom dat de gnostiek strevende mens zich als muziekinstrument wil laten bespelen door de tien krachten, dat hij als rechtvaardige met zijn tiensnarige instrument de Heer gaat loven (Psalm 92:4). Hermes verzekert ons dat we de geschetste noodzakelijke reinigingsprocessen goed kunnen doorstaan als we open staan voor waarschuwingen en berispingen.

‘Zielen die vervuild zijn door een voorbijgaande gebeurtenis, kunnen weer worden gereinigd door waarschuwingen en berispingen, zodat de levensstaat waarin ze eens verkeerden in hun herinnering wordt teruggeroepen. Maar zielen die vervuild en onrein zijn tot in het diepst van hun wezen, kunnen slechts gereinigd worden door in de ellende te worden gestort, door lang in die situatie te blijven en steeds opnieuw de ellende te ondergaan.
Hoevele malen moet goud, dat vermengd is met andere metalen, in het vuur worden geplaatst, alvorens het zuiver en helder tevoorschijn komt? Hoevele malen moet een gebogen roede door het vuur worden verhit voor zij recht is? Hoevele malen moet de tarwe door de zeef gaan voordat het kaf, dat ermee vermengd is, eruit verwijderd is? En hoevele malen moeten vervuilde en verdichte zielen alle soorten van smart ondergaan voor zij de juiste weg hervinden en weer hun oorspronkelijke zuiverheid verwerven?
Hoeveel beter is de zoete smaak van honing dan de bittere smaak van de aloë? Alleen hij die beide heeft geproefd kan dit weten. Zo kan ook de ziel de zoetheid van geluk en de bitterheid van de smart alleen leren kennen als hij van beide geproefd heeft. Groot is het verschil tussen de mens die iets verwerpt nadat hij het geproefd heeft en de mens die aangetrokken wordt door het verlangen het te
proeven.’ (Vermaning van de ziel, hoofdstuk 7)

LEES MEER OVER DE BOVENSTAANDE TRILOGIE