Citaten van Hermes Trismegistus uit de boeken 3 t/m 7 van het Corpus Hermeticum

Waar spoedt u zich heen, o mensen, u die beneveld bent omdat u zich bedronken hebt aan het woord dat alle gnosis mist, het woord van de volstrekte onwetendheid, dat u niet kunt verdragen en dat u nu dan ook eindelijk uitbraakt? Houd op en word nuchter: zie weer met de ogen van uw hart. En zo niet allen dit kunnen, dan tenminste zij die daartoe in staat zijn. De boosheid van de onwetendheid overstroomt de gehele aarde, richt de ziel, die in het lichaam opgesloten is, te gronde, en belet haar de haven van het heil binnen te lopen. Laat u dus niet meeslepen door het geweld van de stroom, maar laat degenen onder u die in staat zijn de haven van het heil te bereiken, gebruik maken van de tegenstroom en er binnenlopen. (2:1-3)

Zoek hem die u bij de hand zal nemen en u zal geleiden naar de poorten van de gnosis, waar het heldere licht straalt waarin geen duisternis is; waar niemand dronken is, maar allen nuchter zijn en met het hart opzien tot hem die gekend wil worden. Maar weet wel: zijn stem kan niet vernomen worden en zijn naam niet uitgesproken worden, noch kunnen stoffelijke ogen hem aanschouwen: alleen de geestziel is daartoe in staat. (2:5)

U moet eerst het kleed dat u draagt verscheuren: het weefsel van de onwetendheid, het fundament van de boosheid, de kluister van het verderf de lichtloze gevangenis, de levende dood, het lijk met zintuigen, het graf dat u met u om u heen draagt, de plunderaar die bij u inwoont en u zijn haat loont door hetgeen hij liefheeft en zijn afgunst door hetgeen hij haat. Zodanig is het vijandig kleed waarmee u zich hebt omhuld, het kleed dat, door u het ademen te beletten, u tol zich neerhaalt, opdat u maar niet weer ziende zult worden, en, door het aanschouwen van de schoonheid van de waarheid en van het goede dat daarin besloten ligt, zijn boosheid niet zult halen en zijn lagen en listen niet zult doorzien. (2:6-7)

God, Gods macht en de goddelijke natuur zijn de heerlijkheid van het al. God is het begin, de oeridee, het vermogen tot groei, en de materie van alle schepselen; de wijsheid tot openbaring van alle dingen. Gods macht is oorzaak, geboorte en groei, werkzame kracht, sterven en vernieuwing. (4:1-3)

Het heelal openbaarde zich in zeven cirkels, en de goden vertoonden zich in de gedaante van sterren met al hun constellaties. De natuur, in al haar aanzichten, werd, met de hulp van de in haar aanwezige goden, tot een organische orde gevormd, en de haar omringende cirkel, omgeven door een astrale wolk, werd in zijn kringloop door de goddelijke adem voortbewogen. (4:7)

Eerst moet de ziel een strijd voeren tegen zichzelf, een grote scheiding teweegbrengen, en aan één deel de overwinning over zichzelf laten. Er ontstaat namelijk tussen één deel en twee andere delen een conflict: het eerste tracht te vluchten, de beide andere trekken haar van beneden af omlaag. Het gevolg is strijd en een grote krachtmeting tussen het deel dat wil ontvluchten en de beide andere, die zich inspannen de ziel neer te houden. (5:10)

Zie mijn zoon, dit is de gids op de weg die naar de vrijheid voert: u moet het lichaam, vóór het sterft, prijsgeven en het leven, dat in de strijd betrokken is, overwinnen; en als u déze overwinning hebt behaald, terugkeren naar omhoog. (5:14)

Als eerste is er God; als tweede de kosmos; als derde de mens. De kosmos is er ter wille van de mens, de mens ter wille van God. Het deel van de ziel dat waarneemt door middel van de zintuigen, is sterfelijk, maar het deel dat beantwoordt aan de rede is onsterfelijk. (5:22-23)

Al wat onderworpen is aan pijn, is ook onderworpen aan vreugde, namelijk het sterfelijke schepsel; niet al wat vreugde kent, kent ook pijn, namelijk het onsterfelijke schepsel. Niet ieder lichaam is aan ziekte onderworpen; ieder lichaam dat aan ziekte onderworpen is, is ook onderworpen aan ontbinding. Het gemoed is in God, de rede is in de mens, de rede is in het gemoed, het gemoed is onvatbaar voor lijden. (5:28-31)

De geboorte van de mens is het begin van een sterven; het sterven van een mens is het begin van een geboorte. Wat geboren wordt sterft dus ook; wat sterft wordt dus ook geboren. (5:50)

Al wat op aarde omgaat is van geen enkel nut voor de aangelegenheden van de hemels; maar de aangelegenheden van de hemels zijn van het hoogste gewicht voor wat tot het aardse leven behoort. De hemel is het tehuis waar zij, die het onvergankelijke lichaam dragen, welkom worden geheten; de aarde is de woonplaats van de vergankelijke lichamen. Het aardse zijn is redeloos, de hemel is overeenkomstig de goddelijke rede. De harmonieën van omhoog zijn de hemel tot fundament; de wetsbeschikkingen op de aarde zijn aan de aarde opgelegd. (5:56-59)

Vermijd discussies met de grote massa; voorzeker niet omdat u haar uw rijkdommen zou willen onthouden, maar veeleer omdat de massa u slechts belachelijk zal vinden. Het gelijke wordt door het gelijke aangetrokken; maar het ongelijke is bij het ongelijke nimmer geliefd. De woorden welke ik gesproken heb trekken uiterst weinig toehoorders, of misschien zelfs niet die weinigen. Zij hebben bovendien dit bijzondere: dat zij de bozen tot nog meer boosheid prikkelen. Daarom is het nodig zich voor de massa in acht te nemen, daar zij de bevrijdende kracht en heerlijkheid van het gesprokene niet begrijpt. (5:65)

God is niet de rede, maar de bestaansgrond van de rede; hij is niet de adem, maar de bestaansgrond van de adem; hij is niet het licht, maar de bestaansgrond van het licht. Daarom moet God vereerd worden met de namen ‘het Goede’ en ‘Vader’, namen die slechts hem en niemand anders toekomen. Want geen van hen die goden genoemd worden, en geen van de mensen en van de demonen, kan in ook maar enig opzicht goed zijn. Alleen God. Hij alleen is goed, en niemand anders. Alle overigen kunnen het wezen van het goede niet omvatten. Zij zijn lichaam en ziel en missen de plaats waarin het goede kan wonen. Want het goede omvat het wezenlijke van alle schepselen, zowel van de lichamelijke als van de onlichamelijke, zowel van de waarneembare als van hen die tot de wereld van de abstracte gedachte behoren. Dat is het goede, dat is God. (6:37)

Zo heb ik u dan, o Tat, voorzover dit mogelijk is, een beeld van God ten voorbeeld gesteld. Indien u zich daarin innerlijk zorgvuldig verdiept en het met de ogen van uw hart standvastig gadeslaat, zult u, geloof mij, mijn zoon, de weg naar de hemel vinden. Of juister nog: het beeld van God zelf zal u op die weg leiden. De innerlijke gerichtheid op dit beeld heeft ten gevolge dat zij hen die eens zulk een toekering hebben aangevangen, in haar macht gevangen houdt en hen tot zich opwaarts trekt, zoals een magnetische steen het ijzer. (7:30)

Bron: De Egyptische Oergnosis en haar roep in het eeuwige nu, deel 2 van J. van Rijckenborgh

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *