René Descartes, de Franse filosoof die de grondslag legde voor het rationalisme, woonde 11 jaar in Nederland

De filosoof René Descartes (1596-1650) werd geboren in Frankrijk, maar bracht na jaren van omzwervingen een groot deel van zijn leven (1628-1649) door in de toenmalige Republiek der Zeven Provinciën. In de zomer van 1634 woonde Descartes in Amsterdam op het adres aan Westermarkt 6. Wandelroute 1 van de stadswandeling ‘Spoor van licht’ door de noordwestelijke Amsterdamse binnenstad gaat langs het huis waar hij woonde.

Holland was in deze tijd een beschavingscentrum van Europa. Aan de jonge universiteiten bloeiden de wetenschappen krachtig op. Geleerden van grote naam trokken studenten aan uit alle landen. Descartes leerde hier dan ook een aantal belangrijke geleerden kennen, waaronder Anna Maria Schuurman, de ‘ster van Utrecht’ en de veelzijdige Constantijn Huygens. Met Comenius had Descartes een lang onderhoud.

De grondslagen van zijn denken werden hem naar eigen zeggen getoond in een droom toen hij 23 jaar oud was. Descartes nam zich voor om in zijn leven alles wat hij voor waar had gehouden, omver te werpen en alles vanaf de onderste beginselen opnieuw op te bouwen. Dit vertrekpunt van de ‘twijfel’ leidde hem tot de conclusie dat er één ding was waaraan hij niet kon twijfelen, en wel dat hijzelf, als de bron van de twijfel, bestond. Deze conclusie vertolkt hetzelfde als zijn vermaarde vaststelling ‘cogito, ergo sum – ik denk, dus ik ben’.

Hiermee legt Descartes het fundament voor zijn wetenschappelijk bouwwerk. Dit sluit aan bij de in zijn eeuw opkomende mechanistische en op de wiskunde gestoelde moderne natuurwetenschap.

Een van zijn hoofdwerken is Meditaties over de eerste filosofie in welke het bestaan van God en de onsterfelijke ziel worden bewezen. In de inleiding schrijft Descartes dat hij dit boek geschreven heeft, omdat hij op zoek is naar de fundamenten van het kennen, om zo tot onbetwistbare kennis te komen. Hoewel Descartes voornamelijk bekend is als de grondlegger van het rationalisme – als tegenhanger van een wetenschap die gebaseerd was op het gezag van kerkelijke dogma’s – is er in zijn filosofie een grote plaats ingeruimd voor het bestaan van God. Hij schrijft:

‘Ik heb geconcludeerd dat het bestaan van God evident is en dat mijn bestaan op alle momenten in mijn leven volledig van God afhankelijk is, en dat ik denk dat de menselijke geest niets met een grotere bewijslast en zekerheid zou kunnen weten.’

Bron: Spoor van licht – een wandelroute door het hart van Amsterdam

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *