De esoterische traditie en het esoterisch christendom volgens Hans Stolp

De esoterische traditie was tot in onze dagen geheim en raakt pas nu algemeen bekend. Als je in de boekhandel kijkt naar de vele boeken die op de plank met het opschrift ‘esoterie’ staan, zijn dat dikwijls boeken die een oude geheime kennis bevatten. Dat is werkelijk een doorbraak: eeuwenoude geheime kennis wordt nu algemeen toegankelijk.

Waarom was esoterische kennis eigenlijk zo lang geheim? Allereerst omdat de inzichten die deze kennis bracht niet geduld werden. In het verleden zijn er (miljoenen) mensen ter dood gebracht alleen om het feit, dat ze de esoterische en niet de officieel kerkelijke traditie aanhingen.

Zo werden in de dertiende eeuw een miljoen katharen de dood ingejaagd: verbrand, levend ingemetseld, gevierendeeld, gefolterd en vogelvrij verklaard, alleen omdat ze overtuigd waren van de juistheid van deze leringen. En dat terwijl zij zelf, trouw aan wat Jezus in de Bergrede geleerd had, tot het einde toe geweldloos bleven.

Niet alleen de eenvoudigen trof een dergelijk lot; het trof eenieder die zich buiten de door de kerk officieel vastgelegde leer bewoog. Zo schijnt bijvoorbeeld ook keizer Julianus (361-363), die in de (kerk)geschiedenis de Afvallige wordt genoemd, vermoord te zijn omdat hij zocht naar de verbinding tussen het Christusgeheim en de oude mysteriën.

Julianus, zelf een ingewijde in de mysteriën van Eleusis, zocht daarmee naar de esoterische wortels van het christendom, maar ook toen al werd dat als een bedreiging van het kerkelijke christendom gezien.

De esoterische traditie was ook geheim, omdat verreweg de meeste mensen deze esoterische leringen nog niet konden bevatten. Daarom werd ze geheim gehouden en alleen doorgegeven aan diegenen, die in hun innerlijk zover gegroeid waren, dat ze raken konden aan dit geheim.

De esoterische traditie is al oud, net zo oud als het christendom zelf – en in feite zelfs ouder dan het christendom zelf. Het is dan ook een eerbiedwaardige traditie. De (christelijke) gnostici vertegenwoordigden deze traditie bijvoorbeeld, maar bouwden daarmee slechts voort op een al veel oudere traditie, die van de mysteriën.

De christelijke gnostici leefden aan het begin van de eerste eeuwen van het christendom en hadden een eigen kijk op Jezus van Nazareth; en op het leven; en op de dood. Oorspronkelijk behoorden de christelijke gnostici gewoon tot de volgelingen van Jezus Christus.

Hun visie op Jezus was net zo legitiem als die andere, die we nu de meer kerkelijk georiënteerde visie zouden noemen. Logisch: er bestond immers in die eerste tijd helemaal geen vaste leer,verwoon omdat Jezus Christus helemaal geen leerstellingen predikte. Wat hij deed, was dat hij mensen confronteerde met zichzelf, met hun eigen binnenwereld.

Jezus deed een beroep op de goddelijke, kosmische kracht die in ieder mens in het verborgene leeft en woont. En de bewustwording van die binnenwereld en die kracht bracht de mensen genezing.

Zijn woorden waren dus op maat gesneden: meestal bedoeld voor een enkeling. Nooit bedoelden zijn woorden een samenhangend geheel van leerstellingen te geven. Vandaar dat het oudste evangelie, het Evangelie van Thomas, slechts bestaat uit 114 logia, spreuken, meditatieteksten of hoe je die woorden ook noemen wilt. Nergens in dit evangelie vind je een geloofssysteem.

Maar hoe meer de (kerkelijk georiënteerde) volgelingen van Jezus zich organiseerden en een eigen instituut opbouwden, hoe meer zij een vaste geloofsverzekerdheid ontwierpen en hoe minder erkenning zij van overheidswege kregen, des te minder plaats was er voor de gnostici.

De gnostici waren immers lastig, zij erkenden geen autoriteit buiten zichzelf. De enige autoriteit die zij kenden was de stille stem in henzelf. Dat innerlijke weten. Daarom pasten zij niet in het instituut dat priesters en bisschoppen kende, hoeders en bewaarders van het ware geloof, en een paus naar wie de gelovigen te luisteren en aan wie zij te gehoorzamen hadden.

Daarnaast waren voor de gnostici man en vrouw volstrekt gelijkwaardig. Dat paste niet in een zo patriarchale cultuur als die van het Romeinse Rijk, en evenmin in een kerk die meer en meer een perfecte afspiegeling van die patriarchale cultuur werd. Vandaar dat er een groeiende kloof ontstond tussen die meer kerkelijk georiënteerde richting en de gnostici.

Aanvankelijk was de christelijke gnosis een legitieme vorm van christelijk geloof. De verkettering ervan begon vanaf het midden van de tweede eeuw. Vanaf toen werd het kerkelijk georiënteerde christendom meer en meer als het christendom gezien, als de enige legitieme vorm van christelijk geloof en werd de gnosis meer als ketterij bestempeld.

In het oerchristendom waren twee stromingen, die oorspronkelijk vreedzaam met en door elkaar leefden, maar die steeds meer tegenover elkaar kwamen staan. Je kunt ze ook aanduiden als het esoterisch en het exoterisch christendom.

Het esoterisch christendom staat dan voor de gnostici, het exoterisch christendom voor het kerkelijke christendom. Deze benamingen geven aan dat het in beide gevallen werkelijk om christenen gaat. Pas later heeft de exoterische stroming de esoterische tot ketterij verklaard. Maar wat wordt er nu precies met die benamingen bedoeld?

Waar Jezus de mensen op hun innerlijk aansprak en waar hij hen leerde het Koninkrijk van God in hun eigen hart te vinden (dat is dus de esoterische stroming, de stroming die de nadruk legt op de verinnerlijking), ontstond er in het oerchristendom al snel een veruiterlijking van het christelijke geloof.

De kerk als instelling, door de keizer beschermd, ondersteund en gemanipuleerd, wordt in betrekkelijk korte tijd een soort overheidsapparaat, goed georganiseerd, gedisciplineerd en met grote macht bekleed. Het christendom wordt ‘Romeins’ gemaakt, dat wil zeggen dat de christelijke leer vooral wordt opgevat als een juridisch stelsel: schuld (zonde) en vergeving, rechtspraak met goddelijke allure.

De exoterische stroming, die de veruiterlijking van het geloof bevorderde, won het van de esoterische stromingen, en bestempelde deze nadien als ketterij. Overigens, esoterisch betekent: geheim, bestemd voor ingewijden; exoterisch betekent: algemeen begrijpelijk, ook voor oningewijden bestemd.

De geheime leer waarover de gnostici – ofwel: esoterische christenen of spirituele christenen – beschikten, is sinds de verkettering en vervolging van de gnostici ondergronds gegaan en ook werkelijk geheim geworden.

Toch bleef deze geheime leer een doorgaande ondergrondse stroom, die echter af en toe in de geschiedenis met grote kracht naar voren kwam en zichtbaar werd. Zo werd deze esoterische kennis zichtbaar bij de manicheeërs, bij de paulicianen en de bogomielen, bij de katharen en de waldenzen, bij de rozenkruisers, bij de tempeliers, bij de theosofen, bij de antroposofen en bij de vrijmetselaars.

Maar steeds werd dit naar boven borrelende gedachtegoed weer onderdrukt en gedwongen om ondergronds te gaan. Pas in onze tijd lukt het niet langer om deze oude spirituele kennis weg te drukken en komt zij in alle hevigheid weer naar boven.

Bron: hoofdstuk 1 van ‘Jezus van Nazareth. Esoterisch Bijbellezen’ van Hans Stolp

Een gedachte over “De esoterische traditie en het esoterisch christendom volgens Hans Stolp

  1. Henk Veldman

    In de eerste brief van Johannes staat: “Als wij zeggen zonder zonde te zijn, bedriegen wij onszelf en woont de waarheid niet in ons. Als wij onze zonden belijden, is Hij zo getrouw en rechtvaardig, dat Hij onze zonden vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtigheid. Maar als wij zeggen dat wij geen zonde bedreven hebben, maken wij Hem tot leugenaar; dan woont zijn woord niet in ons.”
    Schrijft de apostel van de liefde en wie zichzelf een beetje kent, weet dat dit waar is. Alleen door Gods genade zijn we gered.

    Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *