Vleugels van vuur in de Nederlandse cultuur van 1918 – 1940

De tijd tussen de twee wereldoorlogen is voor Nederland een bewogen en vooral inspirerende periode. Dat blijkt uit de vele klinkende namen die het de eerste helft van de 20ste eeuw rijk is. Allemaal aangevuurd door een modern universalisme waar elk provincialisme en sektarisme vreemd aan is. Vanzelfsprekend tellen de stromingen van theosofie, antroposofie en rozenkruiserij rond die tijd in Nederland heel wat volgelingen, waaronder nogal wat bekende mensen. Ook de befaamde sterkampen rond Krishnamurti te Ommen trekken veel toehoorders

En ruimer gezien is er, en opmerkelijk is dat vooral in het Gooise, een smeltkroes ontstaan van christenen, anarchisten en religieuze socialisten. Menen die wars van traditionele kerkbeleving streven naar wereldverbetering en zelfverandering, en die op zoek gaan naar  een andere geesteshouding en vooral ook levenswijze. Denk aan de vele landbouwkolonies in deze streek en waarvan Blaricum het mooiste voorbeeld vormt.

In de rand daarvan mogen ook namen van bij ons niet onvermeld blijven. Ik zet er enkele op een rijtje. Van onder meer de flamboyante maar ook controversiële professor G.J.P.J Bolland. Zeer vertrouwd met het gedachtegoed van de theosofie en tegelijk ook de voortrekker van wat hij zelf de Hegelarij noemt. Doet hier als eerste onderzoek naar antieke mysteriën en de vroegchristelijke gnosis. En wil met zijn taal van ‘de zuivere rede’ een overwinning behalen op het bijgeloof van de volksreligie.

Laten we ook maar de naam vallen van professor A.H. de Hartog, de bevlogen Amsterdamse predikant en belangrijk inspirator van de gebroeders Leene. Die hoopt Nederland te ontvoogden van zijn enggeestig en fundamentalistisch bijbelgeloof en hij stoelt zijn visie daarbij naast Spinoza vooral op de Duitse idealistische wijsbegeerte. En wat bij hem uniek is: hij verbindt de filosofie van een Hegel, een Schelling en noem maar op, terug met haar eigenlijke voorvader, met de philosophicus teutonicus van wie de Hartogs vrouw een mooie bloemlezing uitgeeft onder de titel Uren met Boehme.

Nog een greep uit de velen. Hebben we het dan bijvoorbeeld over de letterkundige Frederik van Eeden. Die zich in zijn onrustig zoeken naar geestelijk vernieuwing jammer genoeg ook bezondigd heeft aan niet ongevaarlijke spiritistische experimenten.

Of denken we we aan één van de bewoners van zijn woonkolonie Walden: de uitgever Nico van Suchtelen, die naast het tweede deel van Goethes Faust en Dantes Divina Commedia  ook de Ethica van Spinoza uit het latijn vertaald heeft. Zelf schrijft hij ondertussen ook werken als Tot het Al-ene. Hij benadrukt daarin dat het in de toekomst niet meer mag blijven bij theoretische vroomheid maar een praktische levenshouding nodig is om te komen tot een innerlijk begrip van het Eeuwige , van het Al-Ene.

Vermeld ik voorts nog schrijvers als de met het Oosten dwepende Henri Borel, als de socialistische dichter Adama van Scheltema en als H.W. van de Berg van Eysinga, predikant in Zutphen die dweept met het werk van Leo Tolstoi. En verder is er nog de filosoof dr. J.D. Bierend-de Haan, met zijn studies over het ‘waare, goede en schoone Geestesleven’. Ook hen is het er om te doen mensen een begrip van het Absolute bij te brengen.

En vergeten we ook niet de scherpzinnige Carry van Bruggen. Zij beweert in Prometheus en Hedendaags Fetisjisme – zwaar ondergewaardeerde boeken trouwens; vrouwelijke auteurs krijgen dan hoegenaamd nog niet de aandacht die ze verdienen – dat de zelfontwikkeling van het Absolute alleen maar mogelijk is door toenemend zelfbewustzijn van de mens. Ik verwijs ook nog graag naar de cultuurhistoricus Johan Huizinga. Van hem kent u vast het magistrale ‘Herfsttij der middeleeuwen’ nog altijd een toonaangevend standaardwerk.

En zien we niet een gelijkaardige inspiratie uitgaan van schrijvers als Nescio met zijn onvolprezen Titaantjes en van dichters als bijvoorbeeld de sociaal bewogen Henriette en de meer teruggetrokken Adriaan Roland Holst. Diens gedichten invoceren vaak een toestand van nieuw bewustzijn, zoals dat ook klinkt in het ‘Adagio’ van de Vlaming F. Timmermans, een ‘leven zo klaar en wijd, zonder verlangen en ook zonder smart, een wijder leven dan slaap bevatten kan.’

En vinden we veel van die geest tenslotte ook niet terug in het abstracte, kubistische en surrealistische werk van kunstenaars als een Picasso en een Kandisky, en bij ons Piet Mondriaan en M.C. Escher? Of in het expressionisme waar Vincent van Gogh een vroege voorloper van was, of in het fauvisme van Matisse? Zoals evenzeer in de dadaïstische en avant-gardische poëzie van de Belgische Paul van Ostaijen?

In de verrassende dissonante tonen van grensverleggende muziekcomposities, zoals Debussy, Ravel en Satie die in Parijs maken, en die hier te lande bij een Hendrik Andriessen navolging krijgen. En iets later nog sterker zullen doorklinken in de sterk intellectuele en improviserende jazz. Of nog tenslotte – ik hoop dat u niet helemaal onder de lawine van namen bedolven bent – bij moderne architecten zoals in België Le Corbusier, Horta en Van de Velde en hier Dudoc, Rietveld en Wijdeveld, de ontwerper van Elckerlyc, het huidige Renova? Wat ons uiteindelijk weer heel dicht bij huis brengt.

Zo zijn we dan na een lange vlucht opnieuw geland waar we opgestegen zijn. Op deze plek: in Nederland en vooral in de omgeving van het Gooi. Aangekomen bij de herauten van een nieuwe tijd, een tijd die hen reeds zijn eerste tekenen heeft laten zien. Zij zijn het die hebben voorbereid wat wij nu in al zijn actualiteit beleven.

We moeten toegeven dat we misschien niet meer de juiste aansluiting vinden bij hun achterhaald aandoende vormexperimenten, bij hun somtijds wat hooggestemde taal, bij hun nog enigszins naïef idealisme. Maar ik geloof dat hun vurig enthousiasme nog altijd op ons kan overslaan, en van hun werk en voorbeeld de geestelijke dynamiek ondergaan.

En is het weliswaar zo dat de aanstokers van de toenmalige vernieuwingsbeweging die Nederland als brandpunt had , de pioniers van een nieuwe samenleving, vaak onafhankelijk van elkaar hebben gewerkt; ze zijn tegelijkertijd verbonden door een onzichtbaar brandend netwerk. En als we goed kijken kunnen we vaststellen hoe hun afzonderlijke vlammen zich samenvoegen tot een heldere vuurzee. Tot, zeggen we maar, een zee van prometheisch vuur.   

Bron: Op vleugels van vuur, Symposionreeks 29

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *