Ontmoeting met Krishnamurti op het Sterkamp in Ommen in 1933

In augustus 1933 bezochten de gebroeders Leene, oprichters van de School van het Rozennkruis, het Sterkamp van Krishnamurti in Ommen, waarvan zij een opmerkelijk verslag publiceerden in de rubriek ‘De Tijdspieghel’, in het maandtijdschrift Het Rozekruis, gevolgd door een reeks artikelen in 1934.

I

De rozenkruisstudent moet een open oog bezitten voor belangrijke wereldgebeurtenissen en trachten ze op een ‘juiste wijze’ te zien en te beoordelen. Deze gouden spreuk indachtig, besloten enkele vrienden van het Publicatie Bureau om dezer dagen het Ommense Sterkamp te bezoeken en daar in het centrum van Krishnamurti’s arbeid ‘te zien’ en onbevangen en onbevooroordeeld ‘te luisteren’.

Zij wilden trachten in een betrekkelijk korte tijd het kamp grondig te bestuderen en Krishnamurti’s leringen te toetsen aan hun filosofische inzichten, waarbij het waarschijnlijk nodig zou blijken een poging te doen om hem persoonlijk te spreken. En dankzij de zeer voortreffelijke kampleiding en de volkomen bereidwilligheid van Krishnamurti zelf slaagde onze deputatie volkomen. Ze was in staat het kamp te leren kennen en in een onderhoud van bijna drie kwartier Krishnamurti te spreken over belangrijke dingen.

Vele van onze leden zullen de ontwikkeling van Krishnamurti’s optreden sinds 1925 hebben gevolgd en zij zullen het volkomen met ons eens zijn als wij zeggen dat zijn optreden een van de belangrijkste gebeurtenissen is in het geestelijk leven van onze tijd. En waar nu deze mens door een steeds groeiend aantal personen gezien wordt als een ‘apostel van de waarheid’ met een speciale zending, die evenwel in onderdelen nog niet geheel wordt gepeild, gingen wij kampwaarts in de vaste overtuiging hem op de juiste wijze te leren kennen. Immers, er is in de waarheid geen antithese en dus moesten wij elkander vinden.

Zoals de wereld tal van mystificaties najaagt en zich daarin verliest, zo moeten wij begrijpen dat de waarheid, de vrijheid en de volkomenheid op tal van wijzen wordt onderwezen, doch maar op enkele wijzen wordt voorgeleefd. En zo hebben wij allen kunnen constateren als rozenkruisstudenten, dat Krishnamurti de waarheid, de vrijheid en volkomenheid heeft begrepen en verwerkelijkt. Hij is een Aquariusmens, die ons de schemeringen van de Aquariuseeuw doet zien en als zodanig is hij de grootste revolutionair van deze tijd.

Het is een feit, dat een rozenkruisstudent die groeiende is in de esoterische betekenis van het woord, zo langzamerhand wordt één die weet, één die gaat spreken als een gezaghebbende, en daarom is het zeker dat de neofiet bij het ontmoeten van mensen en dingen onmiddellijk zal weten of iets goed is of niet. Zo gingen wij dus, allen zonder onderscheid doordrongen van de wereldverlossende idee der rozenkruisers en het esoterisch-christelijke inzicht, Krishnamurti tegemoet in de vaste, onomstotelijke overtuiging: ‘Er kan geen verschil zijn, dat wil zeggen, geen principieel verschil. Onze weg is juist, volkomen gaaf en zonder gebreken, maar het pad van Krishnamurti niet minder, hoe dan ook.’

Nu heeft dit artikel in geen enkel opzicht de bedoeling Krishnamurti te gaan gebruiken als propagandist voor de rozenkruisfilosofie, maar het moet ons toch blij stemmen in werkelijkheid te ervaren de waarheid van Heindel’s dusgenaamde geloofsbelijdenis, als hij spreekt van het begrip ‘kosmische Christus’: Zijn reine liefde toch kan nooit omsloten zijn in godsdienstvorm of afgebakend deel, en hoe verscheiden bij de mensen ook zijn naam, zijn liefde omvat ons saam als één geheel.

Met andere woorden, de rozenkruisfilosofie vindt in Krishnamurti’s leringen haar bevestiging. Zijn systeem van vrijmaking is op een andere wijze ingericht, en geschikt en noodzakelijk voor andere mensen dan degenen die wij voor het moment bereiken. Toch zal het naar onze mening in de toekomst zo zijn dat beide ontwikkelingen kunnen samengaan, en zullen samengaan, als hij zijn hoofdtaak van ‘opruimer’ zal hebben vervuld.

II

Wie is Krishnamurti? Wat is zijn zending? Is zijn optreden niet funest voor het Rozekruisers Genootschap? Staat zijn opvatting niet diametraal tegenover die van Max Heindel? Moet ik niet, als ik zijn leringen aanvaard, afscheid nemen van de westerse wijsbegeerte? Al deze vragen en nog veel meer bestormen de rozenkruisstudent die met open hart en open geest bezig is het ‘probleem Krishnamurti’ te onderzoeken. Niemand, ook de rozenkruisstudent niet, kan zich van het probleem afmaken met het in onze kringen gelukkig niet zo populaire ‘Max Heindel zegt…’, zoals men in andere groepen, met dat nadrukkelijke en alles-volstrekt-de-pas-afsnijdende gebaar, kan zeggen: ‘Steiner heeft gezegd…’, of: ‘Hegel leert…’. Ieder nog niet in dogma verstard mens weet dat van Krishnamurti kennis moet worden genomen.

Wanneer de onderzoeker slechts nota neemt van de verschillende wijzen waarop het grote publiek reageert op Krishnamurti, met diepe verering en grenzeloze bewondering, met grote haat en van geprikkeldheid walmende pamfletten, met lachsalvo’s en bespottelijk makerijen, weet hij dat hij met een uiterst belangrijk en groot mens te doen heeft. En daarom dienen ook wij ons in dit tijdschrift te bezinnen op deze mens. Al de bovenstaande vragen worden ons dagelijks gesteld.

Het vorige jaar augustus [1933] brachten enkele leiders van de Nederlandse afdeling een bezoek aan Krishnamurti en het Sterkamp. Zij voerden met hem een langdurig gesprek, dat daarom zo lang duurde omdat reeds bij de aanvang op bijna komische wijze bleek dat we elkander niets te vragen en te zeggen hadden. Het gesprek was daarom vrijwel bijzaak en het persoonlijk contact hoofdzaak en buitengewoon leerzaam.

In het augustusnummer van de vorige jaargang maakten wij in een artikel melding van ons bezoek en kondigden wij een reeks vervolgen aan, maar tot op heden konden wij daar nog niet mee beginnen, omdat door ons de filosofie van Krishnamurti grondig moest worden bestudeerd en vergeleken met de westerse wijsbegeerte.

Schijnbare tegenstrijdigheden moesten worden opgelost of nauwkeurig overwogen terzake van de innerlijke strekking en draagwijdte. Daarbij deden zich zulke moeilijkheden voor dat wij, ondanks een stroom van verzoeken en standjes, met onze vervolgartikelen nog niet konden aanvangen.

Men kan wel een mening lanceren en zeggen ‘wij veronderstellen dat het zo of zo is’, maar onze studenten zijn het meest gebaat met een gefundeerde occult-wetenschappelijke studie, die men als basis kan gebruiken bij het verdere persoonlijke onderzoek. Daarom zullen de rozenkruislezers, na deze uiteenzetting, het ons zeker niet euvel duiden dat wij hun geduld op de proef hebben gesteld en wellicht is deze geduldproef voor velen wel buitengewoon goed geweest. Er zijn veel mensen die altijd steunen op autoriteit en bij ontstentenis van autoriteiten moet men zélf leren denken.

Het leidende beginsel bij onze bespreking kan zijn: ‘Krishnamurti’s filosofie is volstrekt juist en de westerse wijsbegeerte, zoals deze door Max Heindel tot ons is gebracht, is evenzeer onaantastbaar.’

Hier zal menig lezer ongelovig het hoofd schudden. Krishnamurti zegt toch: ‘Er zijn geen meesters en er is geen inwijding; godsdiensten en wijsgerige stelsels zijn uw vernietigers, alle systemen en methoden zijn verwerpelijk,’ enzovoort. Deze uitspraken zijn toch zonder uitzondering in regelrechte tegenspraak met de esoterische visie? Indien u deze Krishnamurtiaanse gedachten naar de letter verklaart, zou er inderdaad een gapende kloof zijn tussen Krishnamurti en ons en zouden wij geen woord en zelfs niet een gedachte aan deze mens wijden. Immers, er zijn meesters en er is inwijding en de godsdienstige en wijsgerige stelsels zijn goddelijke methoden die niemand verwerpen kan.

Echter, en daar gaat het om, meesters, inwijdingen, godsdiensten, stelsels, methoden, systemen, Krishnamurti, Max Heindel, zijn middelen en nimmer doel. Iedere student die het leven leeft komt al spoedig tot de ontdekking van de realiteit van de hogere gebieden en alles wat het desbetreffende leerstuk van de westerse wijsbegeerte daarover leert.

De ware student gelooft niet in de geijkte zin, hij weet, hij heeft ondervonden, hij ziet, hij heeft de sluiers verscheurd, hij behoeft geen autoriteiten, de westerse wijsbegeerte heeft zich ‘in hem bewaarheid’. En wanneer iemand bij hem komt met een ‘es ist nicht wahr’ kan hij alleen maar lachen of denken aan dat mopje over die boer met zijn zoon. De zoon studeert filosofie en wil, thuis met vakantie, met sofistische redenering aantonen dat er meer dan vijf eieren in de schaal liggen. Vader kan de redenering niet volgen, hij wil ook niet, want hij weet. Hij neemt de schaal met eieren, zet deze voor zichzelf neer en nodigt zijn zoon uit ‘dan maar de filosofische eieren op te eten’.

Wanneer iemand er plezier in heeft te zeggen: ‘Er is geen mysterieschool,’ dan wensen wij daarop niet te antwoorden en wanneer Krishnamurti zich aan dergelijke banaliteiten schuldig maakte, zouden wij onze kolommen niet openstellen voor een artikel over hem. Daarom zal de rozenkruisstudent en iedere andere bonafide occultist nimmer debatteren over de verborgen waarheden. Er kan niet over gedebatteerd worden, omdat zoiets volstrekt onzinnig zou zijn.

Behoeft de vraag: ‘Zijn wij wel geboren?’ of ‘Is de steen hard?’ soms een antwoord? Het gaat er slechts om te spreken: ‘Kom en zie!’ Als men zich opheft uit de staat van het onbewuste, komt men onafhankelijk van autoriteiten tot het individuele zien. Als Krishnamurti dus een mens van grote betekenis is, en dat is hij ongetwijfeld, moet hij geheel andere bedoelingen hebben dan het uitspreken van bewezen onzinnigheden.

Zo is het onder andere met het begrip methode. Als u astrologie of astronomie bestudeerd hebt, al is het maar één week, dan weet u dat in het gehele universum methode, systeem en orde is. Als u het goddelijke wonder dat wij het stoffelijk lichaam noemen bestudeert, buigt u in devotie voor de universele methode. In alle dingen bespeurt u lijn, ontwikkeling, bedoeling, methode en ook Krishnamurti volgt bij zijn optreden een bepaalde methode, namelijk een dusgenaamde Aquariusmethode, en vooral zijn pogingen om steeds andere woorden, andere zinsbouw te gebruiken om zijn universele bedoelingen weer te geven, zijn niet anders dan methode. Zijn aalgladde betogen zijn uiterst methodisch, evenals het Rozekruisers Genootschap een methode is om de mensen te helpen.

Ook het Rozekruisers Genootschap wil geen ‘kruk’ zijn, en evenmin een organisatie in de volstrekte zin. Dat is het kenmerk van alle occultisten – vrijheid, individualiteit in alle dingen en dus: ook een methode is middel en geen doel. Als men een rivier wil overtrekken en een vriendelijke, liefhebbende overbuurman komt met een bootje om u in de gelegenheid te stellen over te varen naar het doel, dan zal u daar gebruik van maken.

Als Krishnamurti gaat reizen van het ene kamp naar het andere, maakt hij gebruik van een trein, of een boot, of een vliegmachine en hij woont in een huis en hij slaapt in een bed en ook wast hij zich met water en droogt zich af met een handdoek. Al deze dingen zijn gegroeid, ontwikkeld uit methode. De mens die methode ontkent, is geen mens; de mens die middelen filosofisch ontkent, liegt.

Krishnamurti liegt niet. Wat doet hij dan wel? Krishnamurti is een gegradueerde uit de oosterse mysterieschool en werd belast met een speciale zending naar het Westen, omdat de broeders van alle mysteriescholen met elkaar samenwerken aan het heil van de mensheid. Hij heeft de zending zich vooral te richten – en zijn gehele opvoeding was daarop afgestemd – tot de grote groep die bekend staat onder de naam theosofen. De theosofische beweging was sinds 1909 geen bevrijdende beweging meer. Duizenden waren er bij aangesloten, deden erg occult, zonder ook maar een stapje verder te komen op het pad, hetgeen veroorzaakt werd door tal van omstandigheden waarover wij geen oordeel willen vellen.

Met ingang van ongeveer 1909 was de zending van mevrouw Blavatsky geëindigd. Men begrijpe ons goed, en het is wellicht overbodig het op te merken, dat het in geen enkel opzicht de bedoeling is de grote zending van mevrouw Blavatsky, die aan duizenden bevrijding heeft gebracht, te miskennen of te onderschatten. Maar het heeft geen zin de realiteit te ontkennen, dat duizenden in de theosofische beweging waren vastgelopen in de esoterie van het boeddhisme, in een blind vertrouwen in leiders en meesters, met alle aankleve van dien.

Er ontstond binnen de grenzen van de verschillende theosofische verenigingen ‘een kudde schapen’ met heel weinig individualiteit. Een dergelijke negatieve instelling is uiterst gevaarlijk voor de mens en tal van gevaren lagen dan ook op de loer. Daarom kwam Krishnamurti om een groot deel van de kudde wakker te schudden en in veilige haven te brengen. Hij kwam als oosterling. Oosterlingen hebben autoriteit bij de westerse boeddhisten, om hen die daarvoor vatbaar zijn los te maken van remmende factoren en heen te wijzen naar de bevrijdende factoren van de komende Aquariuseeuw. En wij kunnen het niet helpen dat deze factoren elementen zijn van de westerse wijsheidsleer, die sinds 1909 in het openbaar wordt verkondigd als de weg, de waarheid en het leven.

Als men deze westerse wijsheid niet als autoriteit beschouwt, maar als een weg, en als men deze waarheid in het zelf verwerkelijkt, dan kan men zeggen, zoals Krishnamurti dat deed in ons gesprek: ‘Ik Ben… de Weg, de Waarheid en het Leven,’ want iedere ingewijde spreekt dat ‘Ik Ben’. Immers, het kosmische Christusbeginsel heeft in het diepste innerlijk woning gekozen. Deze waarheid is al miljoenen jaren bekend.

Bron: De vuurgloed van de ontstijging door Peter Huijs

Een gedachte over “Ontmoeting met Krishnamurti op het Sterkamp in Ommen in 1933

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *