Het verhaal van de rietfluit van Rumi – een gedeelte uit de voordracht van Ashgar Seyed Gorab op het symposion 34 over Perzische lyriek

BESTEL SOEFI-MEESTERS VAN DE LIEFDE

Rumi spreekt over de mens, zijn verlangens en zijn relatie tot de schepping en de schepper. De vraag ‘hoe verhoudt de mens zich tot de Schepper?’ staat centraal in zijn werk. Rumi geeft op verschillende plaatsen van zijn werk antwoord op deze vraag, vooral in de openingsverzen van het Spirituele leerdicht , waarin hij beschrijft hoe een riet, gesneden uit het rietveld, haar verhaal vertelt; het verhaal van liefde en verlangen. In de eerste verzen lezen we:

Hoor hoe klagend de rietfluit klinkt,
Hoe hij vertelt over lange scheiding:
‘Sinds ik uit het riet werd weggesneden,
Klagen mannen en vrouwen in mijn gefluit.
De scheiding moet mijn borst doorboren,
Opdat ik zeg hoe ik lijd door verlangen.
Ieder die van zijn oorsprong is verdreven,
Wil terug naar de tijd van samenzijn.

Het geklaag en lange scheiding staan hier centraal. Deze opening is zo krachtig dat in de Perzische literatuur het hele gedicht de ney-nâme oftewel ‘Het verhaal van de rietfluit’ wordt
genoemd. Het verhaal dient ook als inleiding op het gedicht. Rumi gebruikt hier de metafoor van het riet voor de mens. Net als het riet is de mens gescheiden van zijn oorsprong. Rumi veronderstelt dat deze wereld niet de oorspronkelijke plaats van de mens is en dat de mens is afgescheiden.

Het is deze scheiding die een vurig en verdrietig verlangen in de mens aanwakkert om terug te keren naar zijn oorsprong. Het feit dat het riet gesneden is betekent dat hij tegen zijn wil, onvrijwillig, is meegenomen. Het is door de scheiding en het verlangen om terug te keren dat de borst van het riet is doorboord.

Het riet ontvouwt zijn verhalen aan de luisteraar. Meteen aan het begin vraagt Rumi de luisteraar om aandachtig te luisteren naar het riet en niet te horen wat we zelf willen horen. De gebiedende wijs van het eerste woord ‘luister’ (beshnow) is een waarschuwing om de neiging om zichzelf te horen achter zich te laten en zich te concentreren op het verhaal van de rietfluit.

Het is door het luisteren dat men het geheim van het riet kan horen. Zoals William Shakespeare (1564-1616) in zijn King Lear zegt, ‘A man may see how this world goes with no eyes. Look with
thine ears.’17 De aangename melodie van de rietfluit komt door het feit dat het leeg is van binnen, en er niets anders in het riet bestaat dan verlangen. Het riet kan ook voor Rumi zelf staan. Hij is helemaal leeg van zijn eigen ‘ik’ en het ‘ego.’ Hij is een medium om de goddelijke boodschap door te geven aan zijn volgelingen:

Wij zijn als een riet en de melodie in ons komt van jou
Wij zijn als een berg en de echo in ons komt van jou.

De mysticus Abd-al-Rahmân Jâmi (gest. 1492) ziet het riet als een metafoor voor de minnaar die zijn doel, de eenwording met de geliefde, heeft bereikt. Zoals we zo dadelijk kunnen zien,
heeft het riet zijn hart, het binnenste leeg gemaakt zodat hij de geliefde kan ontvangen. De adem die door de rietfluit gaat is van de Geliefde. De melodie is dan de adem van God die door
het riet gaat. Het riet spreekt een universele taal en kan aanwezig zijn in elk gezelschap, waar het zijn klacht laat horen.

Alle mensen, blijden en bedroefden, interpreteren het gezang op hun eigen manier. Wat het riet vervolgens zegt, is belangrijk omdat het zijn geheim prijsgeeft. Mensen die naar de rietfluit
luisteren, vragen niet naar zijn geheim, terwijl zijn geheim niet ver van zijn klagen ligt. Rumi benadrukt dat dit geheim verborgen is voor het oog en oor.

De relatie tussen het riet en het geheim is een analogie met lichaam en ziel: beide zijn verbonden aan elkaar maar de ziel/het geheim is niet zichtbaar. Met andere woorden: de mens heeft een andere manier nodig om het geheim te kunnen ontrafelen. Rumi benadrukt dat de melodie niet zomaar door de vibratie van de lucht door het instrument komt, het is geen lucht maar het ‘vuur’ in het fluitspel. Het woord dat Rumi in het Perzisch gebruikt is bâd oftewel ‘wind,’ maar hij benadrukt onmiddellijk in hetzelfde vers dat mensen die de melodie als een wind ervaren, niet begrijpen waar het riet het over heeft. Dit fluitspel is geen wind of lucht, maar een vurig verlangen dat alles wat overbodig is verbrandt om eenwording met de beminde te kunnen bereiken.

Zoals Rokus de Groot het verwoordt, ‘Inderdaad, het verlangen moet wel heel sterk zijn om verslavingen te overleven en de confrontatie met de afgrond van het verlangen aan te gaan. Dat kan alleen door volledige concentratie op de beminde.

In elk gezelschap laat ik mijn klacht horen,
ik voeg mij bij blijden en bedroefden.
Zij zoeken mij op, naar hun idee,
maar vragen niet naar mijn diep geheim.
Toch is mijn geheim niet ver van mijn klagen,
maar voor oog en oor blijft het verborgen.
Lichaam en ziel zijn elkaar bekend,
maar niemand kan de ziel aanschouwen.
Het is geen lucht, dit fluitspel, het is vuur;
wie niet zo brandt, waait weg met de wind.

Rumi is resoluut in de manier waarop hij het ‘vuur’ als een metafoor voor het verlangen naar de geliefde gebruikt. Door ‘wind’ tegenover ‘vuur’ te plaatsen, benadrukt Rumi dat alleen een vurig verlangen telt. Het geheim van het riet is alleen hoorbaar voor degenen die het vuur in het fluitspel ervaren.

Bron: Soefi-meesters van de Liefde – Rumi en Hafez, Symposionreeks 34

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *