Hermes Trismegistus toegelicht door Jacob Slavenburg op symposion 5 van Stichting Rozenkruis

Hermes Trismegistus, of Hermes groot, groot, groot, zou een kleinzoon zijn van de legendarische Egyptische godheid Thot. De zoon van Thot, een zekere Agathadaimon had de wijsheid van zijn vader gebeiteld in stenen tafelen. Zijn eigen zoon, Hermes, de driewerf grote Hermes, in het Grieks Trismegistos, heeft de wijsheid overgeschreven, weer ten behoeve van zijn zoon Tat en ze vervolgens in Egyptische tempels in bewaring gegeven.

Dit verhaal wordt ons overgeleverd door een zekere Manetho, een Egyptische priester uit het Hellenistische tijdvak. De Hellenistisch Egyptische vorst Ptolemaeus II Philadelphus, die van 285 tot 246 over Egypte heerste en ook verantwoordelijk was voor de vertaling van de Hebreeuwse bijbel in het Grieks, de Septuaginta, zou de wijsheidsgeschriften in de tempels hebben gevonden en ze in het Grieks hebben laten vertalen.

Er was in het Egypte van de farao’s een godheid Thot. Deze Thot was, zoals het een godheid betaamt, een alleskunner. Als god van de kosmos telde hij zorgvuldig alle verschijnselen en verschijningen. Als god van de kennis zou hij niet minder dan tweeënveertig boeken voor het nageslacht achter hebben gelaten. Als god van de wijsheid was hij overigens de uitvinder van het schrift, waardoor ook de mensen dingen konden gaan opschrijven. Afbeeldingen op oude papyri van wel veertienhonderd jaar voor het begin van onze jaartelling schilderen hem vaak af als de schrijver die alles nauwgezet vastlegt.

Verder was Thot een legendarische genezer. Zo zou hij bijvoorbeeld het uitgerukte oog van Horus weer terug hebben geplaatst in de oogkas van deze al even legendarische zoon van het godennaam Osiris en Isis. Uiteraard had Thot ook goddelijke voorouders. Soms wordt hij als maangod ook wel ‘de schrijver van re’ genoemd. Re zelf was de grote Zonnegod en zijn ‘schrijver’, de asglans daarvan, was de maan. Ook werd Thoth wel aangeduid als ‘het hart van Re’. Maar Toth was ook de tong’ van de godheid Ptah. Hij schiep door middel van het goddelijke Woord, de Logos. Toth was ook nog uitvinder van de magie en van vele andere zaken.

Een andere functie van Toth was die van vredestichter. Hij bemiddelde in conflicten tussen goden en farao’s en bewaakte nauwgezet de harmonie tussen de kosmos en Egypte, haar aardse tegenhanger. Toth werd echter ook gezien als de ‘Gedachte’ van Re. Zonder Toth zou deze gedachte onmogelijk gemanifesteerd kunnen worden. Daarbij was Thoth ook nog de bode van de Egyptische goden.

In de religieuze literatuur bekleedt Thot als maangod ook de functie van de god van de overgang: van de ene toestand naar de andere, zoals dat het geval is bij nieuwe en volle maan. Het mag als bekend worden verondersteld dat de Egyptenaren overtuigd waren van een voortbestaan na de dood.

Na de aardse dood moest de overledene zich verantwoorden tegenover Osiris, de god van de onderwereld. Zijn hart, zetel van verstand en gevoel, werd afgewogen tegenover de veer van maat, de waarheid en gerechtigheid. Toth trad in dat proces op als goddelijk schrijver. Op veel papyri staat hij afgebeeld met een schrijfpalet dat als symbool voor Horen en Zien gold. Nauwkeurig legde hij de uitkomsten van de weging vast.

Thoth werd echter ook als begeleider van de doden gezien. Zo zou hij de ziel van de dode bijstaan op diens gevaarlijke tocht door de onderwereld. Op oude papyri zien we naast Thot het monster Ammit, de Dodenverslinder, kalm zitten wachten op zijn prooi: een hart dat zwaar van zonden is. Het was daarom van belang om in een litanie nauwgezet alle zonden te benoemen. Op elke uitgesproken zonde volgde dan steevast een ontkenning door de overledene. Dit magische ritueel van de ‘verklaring van onschuld’ kon de overgegane aldus behoeden voor een ellendig einde. Ook dan waren de beproevingen niet ten einde. De overgegane diende de tweeënveertig godengestalten nauwgezet bij naam te kennen diende deze namen ook, als soort wachtwoorden, uit te spreken.

Er waren nog meer magische formules die moesten verhinderen dat de overledene een tweede dood zou sterven. In bepaalde tradities verleende een ‘Brief van Thot’ de gestorvene het recht de poorten tussen de twee werelden te passeren om hem zo te behoeden voor een tweede dood.

Overigens kreeg de overledene vaak amuletten mee (bijvoorbeeld een hartscarabee) met magische bezweringsteksten, zoals de namen van alle wachters die de ziel moest passeren. Magie was trouwens de ‘uitvinding’ van Thot. Vooral de geschreven magie werd als bijzonder krachtig gezien.

De uiteindelijke bestemming van de ziel die alle wachters gepasseerd had, was de symbolische vereniging met Osiris, heer van de onderwereld, maar ook de god van de vruchtbaarheid en het nieuwe leven. De overgegane is dan zelf god geworden.

In het jaar 332 voor Christus verovert de Macedonische vorst Alexander de Grote Egypte. Na zijn dood zijn het Grieken die het koningschap van dit rijk aan de Nijl bekleden tot het jaar 30 voor Christus, als deze rol door de Romeinen wordt overgenomen. Alexander de Grote markeert de overgang van de Griekse naar de Hellenistische cultuur. Het Grieks vormt als het ware een dekmantel boven de vele culturen in het Midden-Oosten en in Egypte.

Al snel wordt de Egyptische god Thot vereenzelvigd met de Griekse God Hermes, de Romeinse Mercurius. Hermes gold in het oude Griekenland als de bode van de goden. In Egypte kende men deze traditie toe aan Thot. En zo zijn we dan aangekomen bij Hermes Trismegistus.

Het is lang niet zeker, zelfs vrij onwaarschijnlijk dat de verhoudingen zo lagen als door de Egyptische priester Manetho werd beschreven en waarvan ik gewag maakte aan het begin van dit artikel. Daar ging het om de opvatting dat Hermes een kleinzoon van Toth zou zijn en ‘de uitgever’ van zijn grootvaders werk. In de Middeleeuwen en vooral in de Renaissance dacht men dat Hermes Trismegistus een leermeester van Pythagoras zou zijn geweest en een tijdgenoot van de joodse profeet Mozes. Als zodanig is hij ook afgebeeld op een vloermozaïek in de kathedraal van Sienna in Toscane. Hermes zou dus aan de wieg hebben gestaan van de Griekse filosofie en de joodse – en de daaruit voortvloeiende christelijke – religie. Alle wijsheid en geloof zouden dus teruggaan op Hermes.

Deze voorstelling van zaken werd in verdergaand tekstonderzoek ontzenuwd. Hermes werd ontmythologiseerd. Dat betekent niet, zoals de titel van de inauguratierede van professor Wouter Hanegraaff luidde, “Het einde van de hermetische traditie”, in tegendeel. Onze esoterische wortels liggen veel minder in de christelijke gnostiek dan in de hermetische wijsheid. Zonder deze krachtige stroming zou onze geestesgeschiedenis er heel anders hebben uitgezien.

Hoewel waarschijnlijk op iets minder romantische wijze dan door Manetho voorgesteld, is er gelukkig een stevig aantal hermetische geschriften bewaard. In de middeleeuwen kende men de zogenaamde Asclepius, in de Renaissance werd ook het zogenoemde Corpus Hermeticum teruggevonden. Beide zijn in een prachtige Nederlandse vertaling van de professoren Quispel en Van den Broek verschenen bij de Bibliotheca Philosophica Hermetica in Amsterdam, naar zijn oprichter ook wel de Bibliotheek Ritman genoemd.

Verder is er nog een aantal hermetische tekstfragmenten weergegeven bij antieke schrijvers, zoals Stobaeus, zijn er Hermetische Definities boven water gekomen in zowel een Armeense als een Griekse versie en werden in 1945 bij Nog Hammadi ook drie hermetische traktaten gevonden. Een rijke oogst dus.

Bron: Terug naar de Bron, symposionreeks 5, gedeelte uit de voordracht van Jacob Slavenburg.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *