Dirck Volckertszoon Coornhert : gnosticus en lichtdrager in de roerige zestiende eeuw

LEES MEER OVER DE THEMAMIDDAG OVER COORNHERT

Op zijn vijfendertigste ging Dirck Volckertszoon Coornhert (1522-1590) Latijn leren om persoonlijk het dogma van de erfzonde bij de kerkvaders te kunnen bestuderen. Hij deed dit om dit niet-Bijbelse erfgoed dat in geen van de twee testamenten aanwijsbaar aanwezig is en dat door de reformatie als een nog zwaardere last op de mensheid was gelegd dan door de kerk van Rome, beter te kunnen weerleggen.

De laatste jaren lijkt deze polemist, schrijver, auteur van toneelstukken, musicus, schermer, geestig tafelredenaar en raadsheer van Willem van Oranje door de wetenschap herontdekt. Er verschijnen weer serieuze studies over hem, gelukkig, want in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw lag dat anders. Coornhert ging toen door als een vrijwel onbekende schrijver, een eigenzinnige zonderling, wiens ruime geestelijke nalatenschap – als ze al werd waargenomen – verminkt en vertrapt was door de verkokerde benadering van de wetenschappers binnen een sterk religieus verzuilde Nederlandse samenleving.

Jan Peter Burger heeft een zeer interessant boek over Coornhert geschreven waarin hij als eerste de diepe betekenis peilt van Coornhert als gnosticus, denker en invloedrijk moraalfilosoof ; en als inspirator van de Broeders van het Roosenkruys. Hij laat daarin ook treffend zien hoe Coornherts tegendraadse denken als het ware geïmpregneerd is in de ontstaansgeschiedenis van de Nederlandse natie.

Coorhert kwam met een optimistische lichtboodschap van zelfverwerkelijking in dit leven die ver uit ging boven het interreligieus gekrakeel van zijn dagen. Zijn boodschap was zo helder en dwingend geformuleerd dat ze geen autoriteiten of predikers nodig had om te landen bij hen die zich er voor openstelden. Zijn boodschap was die autoriteit, die waarheid, zelf. Duizenden tijdgenoten, veel meer dan de geschiedschrijving wil doen geloven, hebben er in die roerige dagen vertroosting en een lichtend pad bij gevonden. ‘Geestdrijvers’ werden zij vaak genoemd door tijdgenoten, die gekweld werden door onwetendheid.

Volgens de predikanten-reformatoren zou het succes op de heilsweg van de mens uiteindelijk nihil zijn gezien de principiële corruptheid, verdorvenheid van de menselijke natuur, een uitgangspunt dat calvinisten in het kielzog van Augustinus koesterden. De optimistische heilsweg van zelfverlossing, die Coornhert weer in het licht stelde, was eerst met de kerkelijke veroordeling van Origenes (185-254) en Pelagius (ca. 350-418) een onvermijdelijk halt toegeroepen en vervolgens onder aanvoering van Augustinus (354-430)  definitief op een zijspoor gezet.

Coornhert acht de mens in staat om een toestand van zelfonthechting en volledige zondeloosheid te bereiken: de belangrijkste voorwaarden voor een wedergeboorte. Het vertrekpunt op de weg hier naar toe is de goddelijkheid  van de diepste kern van de mens, immers zijn ziel is ‘van godlijcker aert’. Wij zijn van onze goddelijke oorsprong vervreemd.

Als gevolg van deze ‘godsverduistering‘ hebben we een hoge eigendunk gekregen en slaan we onze vermogens (te) hoog aan. We staren ons blind op de lusten en verlokkingen van deze wereld. Deze fixatie op ons directe eigenbelang en op de wereld van de uiterlijkheden kan worden doorbroken.

Dat kan enkel worden bereikt door nuchter zelfinzicht en het daaruit voortvloeiende besef van eigen nietigheid en onwetendheid. ‘Doch heef hy rechte oorzake om tot ware wetenschap te komen die daar weet dat hy onwetende is.’ Dit is het omslagpunt: Wie waarlijk beseft dat ‘hy niet en weet’ heeft de eerste stap gezet van lustzoeker naar wellevenskunstenaar.

Deze kentering noemt Coornhert de wedergeboorte. Hier begint een proces van vergeestelijking waarin passies als de eigenwaan die de mens van god afhouden, tot natuurlijke, beheersbare proporties worden teruggebracht. de menselijke wil is gedurende zo’n ontwikkeling aan die van God gelijk geworden. Deze toestand duidt Coornhert ook wel aan als de sabbat: de geestesgesteldheid van de mens die volledige gelijkmoedig is , rustig en sereen. Zo’n volmaakt ‘sabbatmens’ is dan ook volledig onthecht van aardse rijkdom en invloeden.

Hij of zij is in staat om de kennis en het inzicht daartoe te verwerven dankzij het vonkje van de goddelijke rede dat ondanks de zondeval nog in hem of haar huist. De wil kan zondigen; maar voorgelicht door de rede als leidinggevend beginsel is dat uitgesloten. Deze ‘leyt-sterre’ wijst de mens immers de juiste weg. dit inzicht en dit ervaringsgegeven zijn een voorwaarde vooraf op de weg naar die staat van gelijkmoedigheid. Zelfkennis en kennis van de eigen zonden vormen de gidspalen op dit pad.

Coornhert zegt het zo: Wie weet wat slecht is, zal het slechte vermijden en wie weet wat goed is zal dat goede ook nastreven. Bij Coornhert is zonde meer een vorm van afgescheiden zijn van god, een ‘ziekte’ waarvan de mens zichzelf kan genezen. De weg naar God wordt in de mystiek vaak omschreven als de beklimming van de Jacobsladder. Door stelselmatige toewijding is de mens in staat steeds hoger te komen.

Dit beeld is in Coornherts dagen bijna stereotiep. Zoals de engelen op de Jacobsladder opstijgen naar de hemel, zo is ook de ware gelovige bij machte om steeds hoger te klimmen om uiteindelijk God te schouwen. Het vertrekpunt daarbij ligt dus besloten in de mens en diens volmaakbaarheid en uitdrukkelijk niet in God en diens scheppende liefde, zoals de predikanten willen doen geloven.

Coornhert verwerpt de erfzonde en ontkent de ongeschiktheid van de mens tot enig goed en zijn permanente geneigdheid tot alle kwaad, zoals de Heidelbergse Catechismus stelt. Hier openbaart zich wederom een diepe kloof met de gereformeerden. Die uit zich nog sterker in Coornherts afwijzing van de transcendentie van God. Voor hem geldt de verbondenheid met en het deelhebben aan God, de immanente God. In ieder mens huist immers ‘een cleen wederglanscken’ van het goddelijke licht!

Op de weg naar volmaaktheid doorloopt de mens diverse, hierna aan te duiden stadia. Een goddeloze zondigt zonder enige wroeging. de knecht staat hoger op de ladder maar is nog steeds zondaar. Hij probeerde de zonde na te laten, omdat hij de straf op de zonde vreest. De huurling probeert de zonde te laten in de hoop op loon.

Na de goddeloze, de knecht en de huurling komen de kinderen Gods. Dat zijn wedergeboren mensen die in principe in staat zijn om zich van zonde te onthouden. Ze zijn – behalve de zwakke kinderen – aan de goddelijke natuur deelachtig. Wanneer deze kinderen hun slechte gewoontes hebben overwonnen, worden ze eerst jongeling en vervolgens ‘man’. Een ‘man’ kan nog een staat hoger klimmen en de staat van ‘wijze man’ bereiken. Wijze mannen zijn verenigd met God en levende beelden van Christus geworden.

Kort samengevat: Coornhert stelt dat de mens de oude natuur dient te doden bij het beklimmen van de ladder: ‘Maek my selveloos en stil’; de remedie tegen de ziekte van de zonde is ‘verlaet u self en volcht my (Jezus) nae.’ Het proces van afsterven van de oude mens en het laen geboren worden van een zondeloze nieuwe mens, is de verinnerlijking van het Bijbelverhaal over het sterven en de opstanding van Christus. Wie zijn eigen van God afgescheiden natuur kan laten afsterven en een nieuwe zondeloze mens geboren laat worden, is een ware navolger van Christus.

Het gaat Coornhert dus niet om de historische gebeurtenis uit de Bijbel, maar om deze gebeurtenis binnen ieder mens. Bij dit proces kan de mens inzicht en steun verwerven door het lezen in de Bijbel en zich aan Bijbelverhalen spiegelen maar ook door contact met geestverwanten.

Bron: Gnosis in Nederland – aspecten van een onbekende levensvisie, symposionreeks 37, voordracht door Dick van Niekerk

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *